Wie vangt de jeugd

Voor sportvissers hebben we in ons land een blad dat Beet heet. Foto's van echte mannen die een pas gevangen kanjer in hun armen nemen worden hierin afgewisseld met teksten die vissen tot een onontkoombare bezigheid maken. `Ik vis omdat ik niet geboren ben om als een gevangene te leven, te midden van steen en beton.'

In januari kwamen ze bij Beet op het idee om eens wat voor de jeugd te doen. In samenwerking met handelaren in hengelsportartikelen, die hebben ook zo hun idealen, werd het initiatief genomen tot de Nationale Schoolvis Competitie. Inmiddels hebben zich volgens Beet zo'n veertig scholen aangemeld.

Het is een wedstrijd voor basisscholen en er wordt gestreden in drie leeftijdscategorieën, op woensdag 5 juni van 14.00 tot 16.00 uur. Organisatoren wordt op het hart gedrukt om voor kindvriendelijk viswater te zorgen, dus geen hoge of steile oevers. Aas en voer zijn vrij, met uitzondering van muggenlarven. Leefnetten dienen minimaal twee meter lang te zijn en goed gestrekt in het water te staan. De vis wordt direct na afloop gewogen en teruggezet. De prijsuitreiking vindt plaats aan de waterkant. Winnaars kunnen vervolgens deelnemen aan de Nationale Schoolvis Finale, op 15 juni aan de Lage Vaart in Flevoland.

Goed, die mensen vissen met overtuiging en deze overtuiging proberen ze uit te dragen, dat is logisch. Hun staat niets anders voor ogen dan kinderen liefde voor water en respect voor vis bij te brengen. Voor het kwellen van dieren vind je in Nederland natuurlijk niemand.

Toch zijn er tegenstanders. Dierenvrienden van diverse pluimage hebben zich verenigd in de actiegroep Nietindehaak. Ze hebben de tweeduizend basisscholen per e-mail opgeroepen om niet met Beet mee te doen. Ze hebben bovendien een internetsite geopend, waarop zich een visserijoorlogje kan ontwikkelen. Een nieuw slagveld, de bekende schotenwisselingen.

Wie tegen vissen is, is helemaal tegen vissen door kinderen, dat is ook logisch. Van kinderen kun je meer onrust aan het water verwachten en minder ervaring of consideratie bij het hanteren van gevangen vis. Kinderen zullen ook meer tuig verspelen of uit onachtzaamheid achterlaten in de natuur. (En nu zeggen ze bij Beet: maar wij gaan ze nou juist leren om dat niet te doen.)

De Dierenbescherming heeft intussen besloten om haar eigen jeugdbeweging in het geweer te brengen, Kids for animals. Ze waren daar al van plan een wedstrijd te organiseren voor de diervriendelijkste school van Nederland en die wordt nu als tegenhanger van de schoolviscompetentie van Beet gepresenteerd. Welke school bekommert zich het meest om dieren in nood? Tegen de viswedstrijd zal op 5 juni her en der worden gedemonstreerd. Op ludieke wijze.

Kids for animals – ik zou wel eens willen weten wat ze daarvan vinden bij Kids in favour of their own language (KIFOTOL). Maar deze zijsprong hoeft iemand er niet van te weerhouden om te vragen hoeveel vissen er nu eigenlijk gevangen worden in Nederland.

Dat weet waarschijnlijk geen mens, zeggen ze bij de Dierenbescherming, maar het volgende rekensommetje geeft misschien een aanwijzing voor de orde van grootte waarin je moet denken. Een miljoen sportvissers. Stel dat die gemiddeld eens in de veertien dagen gaan vissen en dan één vis vangen – dan zit je al op 26 miljoen maal beet per jaar.

Stel dat al die vissen het zouden uitschreeuwen van pijn... de geluidsoverlast!

Begin april heeft mevrouw Faber, staatssecretaris van Landbouw Natuurbeheer en Visserij, een nota uitgebracht onder de titel De waarde van vis. Dat vissen pijn kennen, zegt deze nota, zal wel nooit bewezen worden. En dat vissen geen pijn kennen, zegt deze nota, zal ook wel nooit bewezen worden. Al met al, verzekert deze nota, heeft het welzijn van vissen, hoewel het maatschappelijk debat erover nog in de kinderschoenen staat, nu en voortaan de volle aandacht van de overheid.

Uit de nota komt de sportvisserij verder als een betrekkelijk onschuldig tijdverdrijf naar voren. Vissen die van de haak worden gehaald en in het water teruggezet vertonen een nauwelijks verhoogde sterfte. Van de opslag in een leefnet, wat door vissen als buitengewoon onaangenaam moet worden ervaren – vandaar ook dat de Dierenbescherming het wedstrijdvissen als de meest verderfelijke vorm van vissen beschouwt – ook daarvan schijnen de dieren nauwelijks nadeel te ondervinden.

Bel je vervolgens met prof. dr. H.J.Th. Goos, endocrinologie in Utrecht, dan krijg je te horen dat wel of geen pijn bij vissen inderdaad een heilloze discussie is. Hun zenuwstelsel is zo anders georganiseerd dan het onze, dat je onherroepelijk in de knoop raakt met je definitie van pijn.

,,Maar'', voegt hij eraan toe, ,,ik heb mijn hele leven met vissen gewerkt, en ik weet wel dat ze ontzettend bang kunnen zijn.''

,,Ontzettend bang?''

,,Ontzettend bang.''

Vissen die zich lekker voelen, vissen die zich ellendig voelen – prof. Goos gebruikt dit soort termen op een heel natuurlijke manier.

Je kunt die andere organisatie van het zenuwstelsel overigens ook opvatten als de oorzaak van méér of in ieder geval langduriger pijn. Bij de meeste gewervelde dieren hoef je de nek maar te breken om er een eind aan te maken. Maar een paling worstelt met een gebroken nek gewoon verder. Wat dat betreft is het al even veelzeggend als sinister dat mevrouw Faber in haar nota géén humane oplossing weet voor het doden van gekweekte palingen (en meervallen).

Ga ik ten slotte bij mezelf te rade, dan moet ik zeggen dat pijn of geen pijn bij vissen maar zijdelings een rol speelt. Voor mij is het meer een kwestie van sentiment dan van standpunt. Ik vind vissen, ik bedoel: het vangen van vissen, gewoon weerzinwekkend om te zien, één van die uitingen van menselijk gedrag waarvan je langs de openbare weg verschoond zou willen blijven.

Bij andere jachtactiviteiten worden dieren tenminste nog in hun natuurlijke element gelaten. Vissen niet. Perfect op hun plaats in het water, worden ze in één ruk in een totaal andere, onbekende, onbestaanbare wereld gebracht, een wereld waarin ze niet anders dan machteloos en potsierlijk kunnen zijn, blind en verdoemd, snakkend naar adem. Ik begrijp daar de sport niet van.

Het aardigste deel van mijn jeugd heb ik doorgebracht in een omgeving waar volop gevist werd. Daar was bijvoorbeeld een oom van mijn vader die clandestien fuiken zette (en hazen strikte, en varkens slachtte). Ik herinner mij de smaak van gebakken voorntjes, heerlijk.

Jarenlang ben ik de sportvissers die op mijn weg kwamen als late representanten van dat dorp blijven zien. Ik was het niet met ze eens, maar ik dacht ze wel te kennen, te begrijpen. En op een gegeven moment hield dat op. Ik groet geen sportvisser meer.

Soms maken ze het je makkelijk. Dan blijven ze dwars op je pad zitten. Of ze hebben een spelende radio op het bakje met maden staan. Of ze zien er bespottelijk uit. Of het is een vrouw. Of ze hebben net beet.

Maar ze kunnen het je ook knap lastig maken, tanige levensgenieters die je al van verre hun `goedemorgen' toeroepen, die hun hengel aan de kant schuiven en trouwhartig naar je opkijken, geen greintje kwaad. Als je dan niet blijft staan om een praatje te maken, om te vragen of ze nogal willen bijten vandaag... als je dan zwijgend doorloopt, voel je je een geweldige chagrijn. Maar dat moet dan maar. Dit is míjn actie: geen goedemorgen voor sportvissers.