Srebrenica 3

Volgens Paul Scheffer leidde de vermenging van moraal en macht naar een zelfbedrog dat op het cruciale ogenblik tot gevolg had dat de veiligheid van de eigen troepen boven die van de burgers werd gesteld. Dat is immers de crux van de hele affaire: dat ondanks de zogenaamde lotsverbondenheid waar in het kabinet sprake van was, er gekozen werd voor een afwikkeling die de omstandigheden creëerde voor de massamoord, namelijk het scheiden van de Nederlandse troepen van de burgers die ze hadden moeten beschermen. Het essentiële element van het zelfbedrog bestaat dus uit de onwil om de levens van de eigen soldaten op het spel te zetten. Dat zou misschien ook te veel gevraagd zijn van soldaten afkomstig uit een welvarende maatschappij, zoals Nederland, waar het verlies van enkele soldaten al ervaren wordt als een nationale ramp.

Het is niet merkwaardig dat politici uit zo een samenleving niet bereid zijn om de levens van hun soldaten en daarmee hun politieke carrières te riskeren. Dit heeft vergaande consequenties. Het is van beslissende invloed op de manier waarop deze soldaten worden ingezet, dat wil zeggen de gevolgde strategie. Die zal ertoe neigen om gebruik te maken van de toepassing van vuurkracht die op grote afstand wordt geprojecteerd, door artillerie of bommenwerpers. Vanzelfsprekend is die aanpak ongeschikt voor het type humanitaire interventie dat sinds het einde van de Koude Oorlog zo in opkomst is. Daar is het juist cruciaal om grondtroepen in te zetten op een manier die onvermijdelijk risico's voor de troepen met zich mee brengt. Dat werd in Srebrenica op pijnlijke wijze geïllustreerd: de gebrekkige bewapening en het gebrek aan luchtsteun waren van belang. Maar veel belangrijker was de onwil van de Nederlandse politieke leiders om hun soldaten te riskeren.

Het is zaak om daaruit beleidsconclusies te trekken. Of de houding van de politici verandert van een van goede bedoelingen naar een die de gevolgen van het praktisch handelen centraal stelt. Of we moeten concluderen dat het Nederlandse leger niet geschikt is voor dit soort inzet, wat tot de logische conclusie leidt dat de inzet van huurlingen een aanzienlijk verstandiger optie is.

Tot een dergelijke conclusie kwam het Instituut Clingendael een paar jaar geleden: de tijd was er nog niet rijp voor, en het voorstel werd op basis van het door Scheffer beschreven moralisme weggehoond door de Nederlandse politici. Wellicht kan het nu weer van stal worden gehaald in het kader van de komende zelfreflectie van de Nederlandse politiek over Srebrenica.

De voortekenen zijn echter slecht: de golf van publiciteit rondom het aftreden van het kabinet-Kok concentreerde zich, zoals gebruikelijk in de Nederlandse cultuur, op de morele grootsheid van het gebaar en niet op de kern van de zaak, namelijk dat de rampzalige gebeurtenissen in 1995 deels het gevolg waren van de ongeschiktheid van het Nederlandse leger als instrument van een door ethiek gedreven politiek.