Srebrenica 1

Het artikel van Paul Scheffer (NRC Handelsblad, 17 april) over het Srebrenica-drama is verreweg het beste dat ik tot dusver onder ogen heb gehad. Terecht zegt hij dat Nederland, wanneer het met militaire middelen de mensenrechten wil dienen, onvermijdelijk terechtkomt in de logica van de oorlogvoering. Dat is door sommigen onderkend, maar door de meerderheid van de politici en de opiniemakers miskend. Hier wreekt zich de onderstroom van traditioneel Nederlands antimilitarisme, die telkens weer bovenkomt als er met militaire middelen moet worden ingegrepen: wel ingrijpen, maar vooral niet krachtig, liever halfslachtig. Slechte heelmeesters maken stinkende wonden; de wond van Srebrenica stinkt al zeven jaar.

Als ethicus ben ik het geheel met Scheffer eens dat wij toe zijn aan een ontwarring van macht en moraal. Moraal en ethiek zijn niet begonnen met generositeit en naastenliefde, maar met het overleven van de eigen groep. Elke verheven, universele ethiek heeft een tribale oorsprong: intern een opofferingsmoraal, extern een geweldsmoraal. Dat mechanisme zit diep in mensen verscholen, het kan door propaganda en psychologische manipulatie in werking worden gesteld. De schijnbaar irrationele combinatie van interne opofferingsmoraal en externe geweldsmoraal (`gij zult uw naaste liefhebben maar uw vijand zult gij haten') biedt een rationele verklaring voor zelfmoordaanslagen: het is voor het vaderland, terwijl het uitroeien van de vijand wordt beloond met een onmiddellijke toegang tot het paradijs.

Daders van zelfmoordaanslagen zijn moreel zeer gedreven personen, dat is juist het griezelige. De verhouding tussen macht en moraal opnieuw doordenken begint met de erkenning dat mondialisering van politiek en economie helaas niet gepaard gaat met mondialisering van moraal en ethiek. Daar is dringend behoefte aan, maar dat lukt niet met goede bedoelingen. De grootste vijand van de ethiek is niet de amoraliteit van mens en samenleving, maar het goedkope, tot niets verplichtende moralisme.