Profeet van de hoge cultuur

Vroeger was Parijs een synoniem voor revolutie. Nu kun je de stad nauwelijks avant-gardistisch noemen. Toch leeft Parijs weer.

Met enige regelmaat wordt mij de vraag gesteld of Parijs als cultuurstad nog wel leeft. Een vraag waar een wereld achter schuilgaat. Eigenlijk bedoelt men: moet je voor het élan vital niet naar andere steden, zoals New York of Londen. Want dáár gebeurt het nu.

De jaren dat vernieuwers in de kunsten naar Parijs trokken zijn inderdaad voorbij. Parijs en revolutie zijn geen synoniemen meer. Anderzijds kun je stellen dat één mondiaal cultuurcentrum – zoals Parijs in de jaren '20 en '30 van de vorige eeuw was – niet meer bestaat. Talloze ontwikkelingen vinden nu gelijktijdig plaats in steden op verschillende continenten. De mondialisering is overal waarneembaar.

Toch is het waar dat Parijs op wereldschaal minder dan voorheen het gezicht van de beeldende kunsten bepaalt. Het idee dat het hart van de filosofie en literatuur slechts in Parijs kan kloppen, is achterhaald. De uitstraling van Zola, de surrealisten, Sartre en Camus is een andere dan die van bij voorbeeld José Bové, onvermoeibaar strijder tegen McDonald's en Arafat-adept.

Nog maar een paar jaar geleden beschouwden de Fransen hun eigen land met vergelijkbare scepsis. In het parlement werd premier Jospin begin 1998 zelfs bestookt met vragen over het pessimisme van de Fransen: of hij een manier wist om dat uit te roeien (nee!). Datzelfde jaar won Frankrijk echter het Wereldkampioenschap voetbal en dat moment wordt door politieke en culturele beschouwers als een cruciale, ja zelfs historische wending beschouwd. Frankrijk telde weer mee in de wereld. Werd zich opnieuw van een hoge roeping bewust – nauwelijks minder revolutionair dan in 1789.

Frankrijk wil een bolwerk vormen tegen de – door de mondialisering in de hand gewerkte – egalisering van de cultuur. Het land treedt sinds enige jaren op als kampioen van de culturele diversiteit. (Zowel links als rechts bedient zich van dit begrip.) Deze strijd kan men, zoals vaak in Nederland gebeurt, oppervlakkig uitleggen als een poging de Franse cinema te beschermen tegen Hollywood, waarbij anti-Amerikanisme en protectionisme hand in hand gaan. Of als een vorm van provincialisme. Daarmee gaat men echter voorbij aan de wil van de Fransen zich in te zetten voor de veelheid en verscheidenheid in mondiale en regionale culturen.

Die wil is niet alleen verankerd in het omvangrijk discours. Het is ook een van de pijlers van de Franse politiek, waarin (culturele) identiteit een sleutelwoord is. Geen ander land maakt zich zoveel zorgen als Frankrijk over de vervlakking van de wereldcultuur. Het land wil profeet zijn van een andere, meer hooggestemde en hoogstaande cultuur en probeert daarbij zo veel mogelijk andere landen mee te krijgen.

Voor Franse politici is cultuur een middel om zich te profileren. De opening, begin dit jaar, van de nieuwe Parijse kunsthal `Palais de Tokyo' was voor premier Jospin dé gelegenheid zijn ideeën over culturele diversiteit te ontvouwen. Het gigantische kunstcentrum moet immers een beeld gaan geven van artistieke ontwikkelingen wereldwijd. Het is multidisciplinair en verbindt hoge cultuur met lage cultuur.

De kunsthal is een logisch vervolg op wat elders in de stad al enige jaren gaande is: de vorming van een levend koord van ateliers en galeries, waar tal van internationale kunstenaars wonen en werken. Ja, Parijs leeft opnieuw, of nog altijd. De stad heeft weer de ambitie voor de wereld te denken, en doet dat zoals we van haar gewend zijn: eigengereid, maar ook tot discussie bereid.

Henk Pröpper is directeur van het Institut Néerlandais in Parijs.