Overpeinzingen: De zaak Fei Xu

Verslagen en ontgoocheld stond de 71-jarige heer Fei Xu bij zijn zeventien koffers, acht van zijn dertien vouwstoelen, elf kamerbezems en nog het een en ander in de hal van zijn appartementje. Zijn huisbaas had geklaagd dat hij ,,te veel dingen'' had. Het stonk niet, er liepen geen kakkerlakken en muizen rond, er was geen sprake van een huisdierenexces, er was geen brandgevaar, hij kon nog zonder klimmen zijn deur en ramen bereiken. Op de foto maakt zijn stampvolle kamer een ordelijke indruk.

Maar, had de huisbaas eenvoudig vastgesteld, daar staan te veel dingen. Hij was naar de politie gegaan, de zaak was voor het gerecht gekomen, de rechter kwam kijken. En inderdaad: te veel dingen. Fei Xu, die in 1990 uit Sjanghai naar Amerika was gekomen omdat hij had gehoord dat dit een vrij land was, kreeg de opdracht de helft weg te doen. Hij begon. Met al het geweld dat hij zichzelf kon aandoen, slaagde hij erin een kwart van zijn bezittingen de deur uit te zetten. Toen staakte hij. Van de rest, zei hij, kan ik geen afscheid nemen.

Ik heb het gelezen in The New York Times. Een aangrijpend verhaal. Fei Xu begreep het niet, en waarschijnlijk kan hij het nog steeds niet vatten.

In communistisch China mag je van alles niet, je mag niet lezen en zeggen wat je wilt, je mag niet te veel kinderen hebben. Maar te veel dingen? Daar zou geen lid van de geheime politie zich mee bemoeien, zei hij tegen de rechter. Maar waarom, vroeg die, hebt u dan bijvoorbeeld dertig klokken? Zo veel?

Fei Xu legde uit dat hij in armoede was opgegroeid, voor alles wat hij bezat hard had moeten werken en dat hij misschien wel daarom zo sterk aan de dingen gehecht was. Toen keek hij de Amerikaan aan, met alle wijsheid die in hem was. Veel, edelachtbare, is zo'n subjectief begrip. Voor mij is veel nooit te veel. Voor u wel misschien.

Het verslag meldt niet wat de rechter daarop heeft geantwoord. Niets bijzonders, denk ik. Dat is jammer, want de verdachte had hem de opening tot een filosofische discussie gegeven.

Ik herinner me een fotoreportage in Panorama, tientallen jaren geleden. Die ging over dergelijke verzamelaars, en wat er zoal in hun huis wordt aangetroffen. Dat tart iedere beschrijving. Mensen die bij de sociale dienst of de reiniging werken weten er alles van. Freud heeft er het zijne over gezegd.

Er zijn psychologen die het buitensporig bewaren verklaren uit traumatische ervaringen in de crisis en de oorlog. ,,Gooi dat niet weg'', zeggen de verzamelaars. ,,Later kun je er gebrek aan krijgen'', of ,,kan het nog goed van pas komen''.

Ik ben geen psycholoog. Met mijn lekenverstand denk ik dat dit soort verzamelen voortkomt uit angst en behoefte aan verdediging door bezit, ongeacht waaruit dat bestaat. Duidelijk zie je het bij daklozen die in een winkelwagentje of op hun fiets onwaarschijnlijke hoeveelheden dingen hebben opgetast. Hoe weten ze er de weg nog in? Zullen ze in die troep iets kunnen terugvinden als ze het vlug nodig hebben? Die vragen, veronderstel ik, moet je zo iemand niet stellen. Ze doen niet terzake. Het is, kortweg, een defensief verzamelen. Dat doen de armen en degenen die zich door armoede bedreigd voelen.

Om het scherp te stellen sluit ik een paar bezigheden uit. Bijna iedereen bewaart `dierbare dingen'. Dat hoeft niet verder te worden uitgelegd. Voor de buitenwereld kan dit bewaren uit de hand lopen, maar ik vind dat de buitenwereld er niets mee te maken heeft. Op dit gebied bewaren vrouwen meer.

Dan heb je de verzamelaars van postzegels, lucifersdoosjes. Dat is een specialisme; begint met een toevallig bewaren van een paar exemplaren, en dan, voor de bewaarder het zelf beseft, is hij verzamelaar geworden, gaat naar verzamelaarsbeurzen, enzovoort. Dit komt bij mannen meer voor dan bij vrouwen.

Maar nu de filosofische kant. Er is ook een offensief verzamelen, vooral van geld. Dat gebeurt in het bedrijfsleven. De topmanager die een jaar of zestig is heeft genoeg geld om ieder jaar bij wijze van spreken een nieuw gouden bad te kopen. Toch zien we hem onvermoeibaar bezig alles uit zijn arsenaal gebruiken om zijn kapitaal binnen de kortste tijd te verdubbelen.

Je kunt maar in één gouden bad tegelijk liggen. Het verschil tussen het oude en het nieuwe is miniem. In het westen verschijnen steeds meer mensen op straat die er een gewoonte van hebben gemaakt te veel te eten. Ze zitten in auto's met te veel paardenkrachten. Ze hebben nog zo'n auto in de garage. Ik ga het niet allemaal opsommen; u begrijpt wat ik bedoel. Hun hele aanwezigheid wordt beschreven met een ongelofelijk veel.

Is dat te veel? De wijze Chinees met zijn twintig kamerbezems had gelijk. `Veel' is een subjectief, `te' een juridisch (of een medisch) begrip.

Tien bezems konden er nog mee door; bij de elfde kwam de politie. Over de zaak Fei Xu valt een diepzinnig boek te schrijven.