Niet alleen maar borduren

Historici en neerlandici hebben de schrijvende vrouw als onderzoeksobject ontdekt, zo blijkt uit de niet aflatende reeks publicaties en symposia over dit onderwerp. Ook het recent verschenen proefschrift van Lotte Jensen `Bij uitsluiting voor de vrouwelijke sekse geschikt' doet vermoeden dat de wetenschappelijke aandacht voor schrijfsters uit vorige eeuwen nog niet verflauwd is. Integendeel.

Reeds in 1718 besefte de auteur van het tijdschrift De Mensch Ontmaskert, John Duncan, dat vrouwen substantieel deel uitmaakten van zijn lezerspubliek en dat hij zich expliciet tot hen moest richten, wilde hij de band met hen verstevigen. Van tijd tot tijd wijdde hij exclusief voor hen een special aan typische vrouwenonderwerpen als liefde, schoonheid en vrouwelijke deugden: ``Zo ik wel kan rekenen, Leezer, is het van daag weêr Vrouwtjes dag.'

Het zou nog decennia duren voordat de Nederlandse vrouw haar eigen Nederlandstalige vrouwenblad kreeg. De Algemeene Oeffenschool der vrouwen (1784-1785) was de eerste: geredigeerd door de vrouwelijke journalist Margareta Geertruid van der Werken en wat de inhoud betreft een duidelijke voorloper van de Libelle en Margriet van nu. Het bevatte artikelen over `beproefde huismiddelen' en `heilzaame leefregelen', biografieën van beroemde vrouwen, recensies, toneelnieuws, gedichten, leerzame verhalen, ingezonden brieven en artikelen over wetenschappen, kunsten en uitvindingen. Duidelijk werd in dit vroege damesblad het nuttige met het aangename verenigd en behoorde politiek niet tot het domein der vrouwen.

huishoudkunde

Toch was het blad geen lang leven beschoren, net zo min als De Dames-Post (1785) en het Geschenk voor de juffrouwen (1792-1793). Ook deze tijdschriften waren als uitingen van de Verlichting bedoeld om hun lezeressen beschaving bij te brengen door hen te informeren over de geschiedenis der natie en hun wijze lessen voor te schotelen over zaken als huishoudkunde en zedenkunde. Het was volgens Jensen echter niet de inhoud of de schrijfstijl die vrouwen ervan weerhield zich massaal op deze damesbladen te abonneren, maar de concurrentie met buitenlandse vrouwentijdschriften. Ook zou het Nederlandse taalgebied te klein zijn. Deze verklaringen zijn echter onbevredigend. Zo kan men zich afvragen of de Nederlandse vrouw in de achttiende eeuw wel een publiek forum in de vorm van een vrouwentijdschrift nodig had. Er waren immers vele andere Nederlandstalige uitgaven op de markt, al dan niet speciaal voor hen bedoeld. Misschien was de Nederlandse vrouw in vergelijking met haar buitenlandse `zusters' al zo ver geëmancipeerd dat ze aan de vele algemene publiekstijdschriften voldoende had.

De laatste, turbulente jaren van de achttiende eeuw lieten zien dat er meer vrouwen waren die konden schrijven dan het bekende schrijfsterduo Betje Wolff en Aagje Deken, en dat ze wel degelijk een bijdrage konden leveren aan het politieke debat. Steeds meer journalistes bleken zich uitstekend in de mannelijke wereld van kranten en tijdschriften staande te kunnen houden. Zij konden daardoor tevens uiting geven aan hun ideeën over vrouwenemancipatie. Dit resulteerde in een engagement dat grote belangstelling genoot onder het vrouwelijke publiek, waarmee de voorwaarden tot succesvolle vrouwentijdschriften waren geschapen.

Een van de kassuccessen uit de negentiende eeuw was het tweemaandelijkse tijdschrift Penélopé (1821-1835) van de Goudse schrijfster Anna Barbara van Meerten-Schilperoort. Zijn succes dankte het blad vooral aan de fraai vormgegeven handwerkpatronen die werden afgedrukt. Als het aan de hoofdredactrice lag, borduurde het vrouwelijk deel der natie tot het een ons woog: pantoffels, tapijtjes, servetten, kussens, mandjes, haardkleedjes. Breien, mazen en stoppen kregen eveneens aandacht.

gewild

Vanouds werd aan handwerken grote opvoedkundige waarde toegekend. Het bestreed immers ledigheid, bevorderde spaarzaamheid en vergrootte de financiële zelfstandigheid van vrouwen. Een jonge vrouw die bedreven was met naald en draad, was gewild op de huwelijksmarkt en ook nadat ze aan de man was gebracht, kon ze er voor het charitatieve doel goede sier mee maken. Het was bovendien een activiteit die zich goed liet combineren met intellectuele bezigheden als lezen. Ook daaraan werd in Penélopé ruim aandacht geschonken.

In een studie over de eerste vrouwentijdschriften in Nederland dient zich onherroepelijk de vraag aan in hoeverre ze hebben bijgedragen aan de vrouwenemancipatie. Zolang ze de nadruk leggen op het huiselijke domein waarin vrouwen zich dienen te bewegen, is er in dit opzicht nog weinig vernieuwends aan te ontdekken. Toch wijst Jensen er terecht op dat vrouwen zelfs in Penélopé gestimuleerd werden tot liefdadigheidswerk buiten de deur om daarmee het vaderland van dienst te zijn. Maar daarmee hield het emancipatoire karakter van dit populaire blad wel op.

Het proefschrift over journalistes en damesbladen in de achttiende en negentiende eeuw biedt op heldere en overzichtelijke wijze een beeld van het ontstaan van een specifieke groep massamedia. De enorme kluwen aan vrouwentijdschriften die naast elkaar bestonden of die elkaar in hoog tempo opvolgden, heeft Lotte Jensen zodanig weten te ontwarren dat er een duidelijk zichtbare rode draad overblijft.

Lotte Jensen, `Bij uitsluiting voor de vrouwelijke sekse geschikt.' Vrouwentijdschriften en journalistes in Nederland in de achttiende en negentiende eeuw. ISBN 90-6550-665-9. Uitgeverij Verloren, 2001. Prijs € 23.