Missie en macht

Respect en integriteit. Deze woorden hebben de politiek afgelopen week gedomineerd. Er is alom eerbied betuigd voor de beslissing van premier Kok om namens drie opeenvolgende kabinetten de verantwoordelijkheid te nemen voor de mislukte poging van de enclave Srebrenica een `veilig gebied' te maken. Minstens dertig keer is het woord respect of waardering gevallen tijdens het debat daarover in de Tweede Kamer van afgelopen woensdag. In het parlement is ook niemands onkreukbaarheid ter discussie gesteld. Zeker zes keer is derhalve het woord integriteit in de mond genomen. Respect en integriteit zijn waardevolle begrippen, niet alleen in het persoonlijke leven maar ook in het maatschappelijke verkeer. Het is daarom van belang ze niet te veel te gebruiken. Inflatie holt de betekenis uit.

Helaas was dat soms te veel gevraagd. Zo probeerde bevelhebber Van Baal van de Koninklijke Landmacht zijn vertrek uit het commandocentrum te voorkomen door een `integriteitscommissie' te opperen die op haar beurt weer de integriteit van de legertop zou moeten onderzoeken. Hier liepen twee lijnen radeloos door elkaar heen. In het rapport Srebrenica: een `veilig' gebied zijn harde noten gekraakt over de cultuur bij de landmacht. De legerleiding heeft na de val van de enclave in juli 1995 ,,welbewust'' geprobeerd de ,,informatiestroom beperkt te houden en waar mogelijk onwelgevallige onderwerpen uit de weg te gaan'', concludeert het NIOD. Toenmalig minister Voorhoeve van Defensie is zo de ,,gevangene geworden van het debriefingsrapport'' dat onder leiding van bevelhebber Couzy was opgesteld. Zijn opvolger De Grave is bij zijn aantreden in 1998 met deze erfenis belast.

Luitenant-generaal Van Baal was indertijd plaatsvervangend bevelhebber respectievelijk plaatsvervangend chef defensiestaf – kortom, tweede man. Toen regering en parlement in 1993 besloten tot deelname aan de vredesmacht van de VN, behoorde hij tot de kring van militairen die vraagtekens plaatsten bij de verbale en materiële uitrusting van de blauwhelmen. Uiteindelijk heeft de legerleiding zich toen om verschillende en oorbare redenen naar de politiek geschikt. Terugkijkend hebben sommige hoge militairen daarvan wellicht spijt.

Eén ding is zeker. In het NIOD-rapport gaat het niet om de personen in de landmachttop maar om hun functies. De particuliere integriteit van Van Baal wordt niet in twijfel getrokken. Het gaat om zijn functionele positie. Als bevelhebber is hij nu eenmaal erfgenaam van de boedel die hem is nagelaten. Deze aansprakelijkheid is uiteraard niet politiek. Die berust bij de minister. Maar ze is evenmin non-existent. De bevelhebber draagt wel degelijk verantwoordelijkheid voor en jegens de troepen. Daarom heeft Van Baal er verstandig aan gedaan op de valreep een fundamentele keuze te maken: niet optreden voor zijn eigen positie maar aftreden ter wille van de krijgsmacht.

Nu ontstaat bovendien ruimte voor een serieuze benadering van de structurele problemen waarmee defensie kampt en die gisteren door de commissie-Franssen in een advies zijn geanalyseerd. ,,De hele organisatie is aan revisie toe'', aldus Franssen. Want sinds het einde van de Koude Oorlog zijn de bevelslijnen binnen de krijgsmacht achterhaald geraakt. In feite zijn er vier autonome onderdelen: leger, luchtmacht, marine en marechaussee. Omdat er geen opperbevelhebber is – op zichzelf logisch in een kleine, pacifistisch georiënteerde en dus militair onervaren staat als Nederland – draait het om de coördinatie. Vandaar dat Franssen voorstelt de positie van de chef defensiestaf te versterken en militair ,,zichtbaar'' te maken. Als dat niet leidt tot een vijfde divisie binnen de krijgsmacht, is dat een goede koers.

De Tweede Kamer had het eveneens moeilijk een gepaste toon te vinden. Tot vorige week had Nederland patent op kabinetscrises naar aanleiding van financieel-economische conflicten of heuse futiliteiten. De val van het kabinet-Marijnen (1965) over het omroepbeleid, van het kabinet-Den Uyl (1977) over onnavolgbare varianten voor de grondpolitiek of van het tweede kabinet-Lubbers (1989) over het reiskostenforfait en de benzineprijs in Venlo: ze staan in de annalen te boek als voorbeelden van kleingeestige alibi's om diepere politieke tegenstellingen aan het licht te onttrekken.

Bij de val van het kabinet-Kok is daarvan voor het eerst geen sprake, althans niet zichtbaar. Oorzaak en aanleiding van het ontslag zijn kraakhelder. Er is hooguit behoefte aan zijlicht op de details van het proces dat in een paar dagen tijd uitmondde in het vertrek van de voltallige ministerraad. Demissionair premier Kok gaf woensdag in de Tweede Kamer toe dat hij de schijn tegen heeft en derhalve op zijn woord moet worden geloofd dat hij het besluit zelf heeft genomen en zich niet heeft laten opjagen door een wedloop van aftredende ministers rondom hem. Vooralsnog is het antwoord daarop een kwestie voor historici en andere geschiedschrijvers.

Op dit moment is namelijk aan de orde hoe parlement en regering het NIOD-rapport verder behandelen. Het Kamerdebat stemde op voorhand niet gerust. Net iets te vaak loerde de partijpolitiek om de hoek. En het veelvuldig uitgedragen respect kon dit net iets te weinig compenseren.

Een parlementaire democratie is uiteraard in belangrijke mate gebaseerd op procedures. Het valt evenmin te ontkennen dat er door het ontslag van Kok een formeel probleem is gerezen. Omdat het kabinet de conclusies op hoofdlijnen onderschrijft en daarom is afgetreden, mist de vergadering van de Tweede Kamer over het NIOD-rapport een harde binnenlands politieke substantie. Aangezien de regering niet meer door het parlement serieus ter verantwoording kan worden geroepen noch door sancties kan worden getroffen, gaat het meer om meningsvorming dan om standpuntbepaling.

Juist daarom is het van belang te voorkomen dat het Kamerdebat komende week uitdraait op een schijnvertoning. Premier Kok heeft toegezegd zo ruimhartig mogelijk aan het debat deel te nemen. De volksvertegenwoordiging, zeker de fracties die in 1993 hebben ingestemd met deelname aan de vredesmacht in Srebrenica – met andere woorden de overgrote meerderheid –, moet zich verplicht voelen de conclusies toe te spitsen op de parlementaire enquête die nu komt en onvermijdelijk ook haar diep zal treffen.