In het kielzog van Moby-Dick

Melvilles zee-epos is op tientallen manieren te lezen, maar vóór alles als een studie in zelfvernietiging, schrijft Pieter Steinz in zijn stoomcursus literatuur.

De ijzingwekkendste scène van Herman Melvilles Moby-Dick (1851) is niet het begin, waarin de ik-figuur het bed deelt met een kannibaal; en ook niet het slot, wanneer de witte walvis korte metten maakt met zijn achtervolgers. Het is de toespraak die de eenbenige kapitein Ahab houdt als zijn schip de Pequod net de haven van Nantucket heeft verlaten. Met dreigende retoriek zweept hij de bemanningsleden op hem te volgen op zijn wraakactie tegen de witte walvis die hem heeft verminkt, en met duivelse rituelen bindt hij ze aan hem en zijn monomane plannen. Alleen een stuurman waagt het hem tegen te spreken (`,,To be enraged with a dumb thing, Captain Ahab, seems blasphemous''), maar die wordt overstemd door het enthousiaste gebrul van de bemanning. De Pequod is op weg naar de totale vernietiging.

De parallel met de eenballige dictator Hitler, vandaag 113 jaar geleden geboren, die zijn willige volk ophitste, meesleepte en vernietigde in een monomane wereldomspannende wraakactie, ligt voor moderne lezers voor de hand. Moby-Dick or, The Whale is een parabel over zelfvernietiging en de aantrekkingskracht van het kwaad. Onder veel meer, want Melvilles zee-epos is in de afgelopen honderdvijftig jaar op tientallen manieren gelezen: als een avonturenroman over een gedoemd schip, als een Griekse tragedie, als een allegorie van de condition Américaine, als een aanklacht tegen het kapitalisme en als een pleidooi voor natuurbescherming. Op een boek van zeshonderd bladzijden, geschreven in verschillende stijlen en doorspekt met religie en filosofie, raak je nu eenmaal niet gauw uitgekeken.

Wie Moby-Dick in een weekend wil lezen, doet er goed aan om de vele technische uitweidingen over het wel en wee van de walvisvaart over te slaan. Wat dan overblijft is een Shakespeareaans geschreven onheilsverhaal met onvergetelijke personages: de depressieve ik-figuur (`Call me Ishmael') en zijn getatoeëerde Polynesische boezemvriend Queequeg, de vrome stuurman Starbuck en het bangige scheepsmaatje Pip, de eigenaardige kapiteins van passerende schepen en natuurlijk Ahab, die ondanks zijn diabolische uitstraling van Melville de kans krijgt om zijn twijfels, zwaktes en menselijkheden te tonen.

Melville, die in de jaren veertig van de 19de eeuw na een korte carrière als matroos zijn geld had verdiend met conventionele zee-avonturenromans, droeg Moby-Dick op aan zijn mede-New-Englander Nathaniel Hawthorne, wiens verhalen hij bewonderde om hun `blackness ten times black'. Net als Hawthorne werd Melville een `nee-zegger', een schrijver die de zekerheden van Amerika ondergroef en tegenwicht bood aan het heersende optimisme van de jonge republiek; en juist dat maakte zijn latere werk niet populair. Na het floppen van het gotische melodrama Pierre (1852) en de nihilistische komedie The Confidence Man: His Masquerade (1857) stopte hij met publiceren. Pas dertig jaar na zijn dood in 1891 werd zijn werk herontdekt, te beginnen met het nooit eerder gepubliceerde Billy Budd, Sailor, en werd Moby-Dick erkend als een van de klassieken van de Amerikaanse literatuur; een boek waaraan niet alleen William Faulkner, Ralph Ellison en Toni Morrison zich schatplichtig verklaarden, maar ook niet-Amerikanen als Joseph Conrad en J.M.A. Biesheuvel.

Pieter Steinz: ps@nrc.nl

Aangeraden hoofdstukken zijn 1-30, 36, 41-42, 49, 71, 93, 99-100, 108-135.