`Ik heb moslimburen en we zijn goede vrienden'

In Antwerpen is een pro-Palestijnse betoging verboden. Eerder trokken pro-Palestijnse betogers een spoor van vernieling door de stad. Het antisemitisme groeit.

Aan de rand van de joodse wijk van Antwerpen staat het Holocaustmonument: een zuil met daarop beelden van een man, een vrouw en een kind achter prikkeldraad. Een spoorweg aan de overkant markeert de grens van de joodse wijk. Onder de spoorwegbrug door zijn de straten te zien waar joden en moslims gemengd wonen, en iets verderop begint Borgerhout, de Arabische wijk. In Antwerpen lopen de twee gemeenschappen, ongeveer 30.000 moslims en 20.000 joden, van wie meer dan de helft orthodox, letterlijk in elkaar over, waardoor joden hier direct geconfronteerd kunnen worden met uitingen van anti-Israëlische of anti-joodse gevoelens. Hier doet orthodox-joodse Edith met haar vier dochters de was in haar hoge huis, terwijl even verderop in jeugdclub Saada de 26-jarige Marokkaan Amin gespannen naar de Arabische zender Al Jazira kijkt.

Het Centrum voor gelijke kansen en racismebestrijding meldt dat sinds het begin van de tweede intifadah in oktober 2000 het antisemitisme aanzienlijk toegenomen is in België. Er zijn meer antisemitische pamfletten onderschept en orthodoxe, dus herkenbare joden kregen vaker te maken met pesterijen. Maar monsieur Luc, een Franse jood die hier ook woont, vindt niet dat er spanningen zijn tussen de twee gemeenschappen, en wil al helemaal niet horen over groeiend antisemitisme. ,,De pers wil een leuk verhaal. Natuurlijk is het niet interessant om over de joden en de moslims te schrijven als er geen spanningen zijn tussen hen, dus moeten die er maar zijn. Maar dat is ver van de werkelijkheid. De incidenten zijn gewoon een probleem van jeugddelinquentie, niet van groeiend antisemitisme. Ik heb twee moslimburen en wij zijn goede vrienden.''

Zelf maakt monsieur Luc overigens melding van een vriend van hem die ,,door dertig man belaagd werd''. Recentelijk werd een synagoge in Antwerpen met molotovcocktails bekogeld, en liep een pro-Palestijnse betoging uit op zware rellen: een paar honderd jongeren trokken naar de joodse diamantwijk en lieten een spoor van vernieling achter. Nu staat voor elke synagoge een gepantserde wagen van de federale politie.

,,Er is niet echt een probleem met de joden hier'', begint de Marokkaan Amin onverschillig in de jeugdclub. ,,We zijn aan elkaars aanwezigheid gewend, we zeggen dag. Verder gaat het niet, zij zijn heel gesloten. Ik denk niet dat hier iets ergs gaat gebeuren, maar het is wel heet nu.'' Amin praat aan een stuk door, terwijl hij iedereen die binnenkomt de hand schudt. ,,Er zijn altijd haatgevoelens, vooral naar die orthodoxen toe. Als je hen ziet, voel je afschuw. Zij doen even smerig als de joden in Israël, ze steunen hen immers allemaal financieel van hieruit.''

Dat Marokkanen naar joden spuwen, vindt hij wel grappig. ,,Dat zijn gewoon kleine jongens die iets willen doen. Soms heb ik zelf zin om iets te doen. Maar ik wil natuurlijk geen problemen. Joden zijn altijd bang, ze leven in angst, hun hele geschiedenis al. Wij zijn nooit bang, omdat wij niet bang zijn voor de dood.''

Ook de oudere generatie heeft haar vaste stek in jeugdclub Saada. De mannen drinken rijkelijk gesuikerde koffie en roken sigaretten. Vrouwen zijn er niet te bespeuren, en de aanwezigheid van onbekenden wordt zichtbaar niet op prijs gesteld.

,,Het is wel plezant om te zien hoe de mensen in Europa eindelijk hun ogen opentrekken'', zegt Amin. ,,Joden zijn het meest racistisch ter wereld. Ze denken dat ze het uitverkoren volk zijn. Een jood, dat is een grote egoïst. Hitler had moeten doorzetten. Hij had die mensen door.''

In het halfduister van haar woonkamer zegt de joodse Edith met een treurige glimlach dat ze best zou willen verhuizen naar de andere kant van de spoorweg. Haar dochters hebben geen contact met de moslimkinderen van de buren. ,,Wij gaan naar een joodse school'', legt de oudste, Lydia, uit. ,,Zij hebben andere feest- en vakantiedagen dan wij.''

Edith is hier geboren, haar familie leeft al veertig jaar in Antwerpen. De contacten tussen joden en moslims in de wijk kan ze niet vriendelijk noemen. ,,Het gaat nooit verder dan dag zeggen. Een Marokkaan heeft eens naar me gespuwd.'' ,,Dat doen ze altijd'', vult Lydia aan. ,,Ik zeg nooit iets terug, want dan noemen ze me onmiddellijk jid.'' Ze gaan hoe dan ook zelden alleen de straat op, maar nu nog minder, ,,sinds de situatie daar begon te escaleren''. Dat is niet altijd zo geweest, zegt Edith. ,,Toen ik jong was, was je hoogstens bang voor iemand die te veel gedronken had''.

Op de stoep voor hun huis zitten de Marokkaanse zusjes Yamina en Fatima grapjes te maken over de pijpenkrullen (pajes) van hun orthodoxe buurman. ,,Ze zoeken geen contact met ons. Zij mogen vreemde vrouwen zelfs niet aankijken.''

Fatima zwijgt en wijst met haar kin naar de overkant van de straat. ,,Daar komt die vader.'' De orthodoxe buurman duwt zijn vader moeizaam in een rolstoel door de straat. Beiden zijn ze helemaal in het zwart, met brede bonthoeden, baarden en pajes. Stil en zonder iemand aan te kijken verdwijnen ze in hun huis.