Hollands dagboek: Ines Sleeboom

Ines Sleeboom-van Raaij (54) is psychiater in het algemeen psychiatrisch ziekenhuis Robert Fleury Stichting te Leidschendam. Met twee collega's bezocht ze Zuid-Afrika om de hulpverlening aan doven daar te ondersteunen. Ze is getrouwd en heeft drie kinderen.

Woensdag 10 april

Vier dagen geleden zijn we 's morgens vroeg op het vliegveld van Kaapstad geland. We worden bij de uitgang meteen door dominee Attie Smit, directeur van Lewensruimte, op de foto gezet, alsof we beroemdheden zijn. Lewensruimte is een therapeutische woongemeenschap voor doven met meervoudige handicaps – verstandelijk, lichamelijk, communicatief. Sommigen hebben daarbij ook psychiatrische problemen. Veel bewoners hebben weinig of geen onderwijs genoten. Ze hebben niet leren communiceren omdat ze in primitieve omstandigheden zijn opgegroeid. Doofheid komt in Zuid-Afrika veel voor, door infectieziekten en erfelijke aandoeningen. Door de apartheid waren er vroeger witte en zwarte dovenscholen. Nu zijn scholen vaak nog slecht uitgerust. Kinderen slapen met z'n vijftigen in een slaapzaal met gordijntjes ertussen. Doel van ons bezoek is Lewensruimte te helpen uitdenken hoe zij meer psychiatrische diensten leveren aan doven in Zuid-Afrika. Hoe zij mensen daarvoor opleiden. En hoe wij kunnen samenwerken om gemeenschappelijk projecten op te zetten en fondsen daarvoor te werven.

Onze contactpersoon is collega Paul de Wet uit Pretoria. Paul doet twee keer per jaar consulten in Lewensruimte. Attie vertelt ons dat 6 april Stigtersdag is in Zuid-Afrika en dat wij op de Kaap zijn geland exact 350 jaar nadat Jan en Maria van Riebeeck de Tafelbaai binnenzeilden. Later bij hun standbeelden in Kaapstad zien we dat slechts de Afrikaandersvereniging een bloemstuk met suikerbossies heeft neergezet.

Onderweg naar Worcester, waar Lewensruimte is, zien we kilometers uitgestrekte plakkerskampen. Attie vertelt dat mensen uit de Transkei naar Kaapstad komen voor werk en eten. Ze bouwen daar zelf zo'n hutje van afval en golfplaten. Er lopen veel mensen langs de grote weg. Anderen liggen te slapen op de stoep of zitten opgepropt in een pickuptaxi. De aanblik van zoveel onvoorstelbare armoede en ellende doet de tranen achter mijn ogen prikken.

We ontmoeten alle 75 bewoners en de medewerkers in de ontmoetingsruimte. Alles in gebarentaal. Ik leg mijn gebarennaam uit: mijn rechterhand die vanaf schouderhoogte naar beneden glijdt, de slee, en dan omdraait naar een boom. Caroline, de kinderpsychiater die mee op reis is, en Rina, de manager van de afdelingen waar Caroline en ik werken, doen hetzelfde met hun gebarennaam. We leren de lijfspreuk van Lewensruimte gebaren: Saam sal ons wen.

Het geld is voor Lewensruimte is een groot probleem, omdat de staat eigenlijk alleen voor het bed, eten en dak boven het hoofd wil zorgen. Dat betekent dat slechts 37 procent van de begroting wordt vergoed. Vandaag besteden we aandacht aan het wereldcongres dat Lewensruimte in 2005 gaat organiseren. Men wil graag dat er veel mensen uit Afrika zelf komen, om de ontwikkeling te stimuleren in landen die nog niets hebben. En om deskundigen uit de hele wereld te laten vertellen over hun ervaringen in de psychiatrie voor doven.

Bij de lunch vertelt Paul hoe Zuid-Afrika door aids wordt getroffen. Twintig procent van de bevolking, vooral het zwarte deel, is besmet en zal de komende tien jaar overlijden. En dat is wat men `officieel' weet, want aids mag in tegenstelling tot andere infectieziekten niet geregistreerd worden. Als ik zeg: `Dat betekent dat zo'n 8 miljoen mensen gaat overlijden, dat lijkt op genocide als men niets doet', knikt hij zacht. We zijn er allemaal stil van. Elsebé, de zielkundige consulent van Lewenruimte, zegt dat door de aidsproblematiek de zorg voor doven, die ook zo hard nodig is, in het gedrang komt.

's Avonds als we gaan eten aan het Waterfront in Kaapstad, zie ik in het voorbijlopen doodzieke mensen tegen de muur zitten. Ik realiseer me dat het mensen met aids zijn. Ik geef wat geld, maar schaam me later dat het maar zo weinig is.

Donderdag

Vroeg in de morgen beginnen we met een sterkte-zwakte-analyse van Lewensruimte. We bespreken wat er moet gebeuren wil men psychiatrische patiënten kunnen behandelen. Zoals iedere dag tolkt een van de horende collega's tijdens de vergadering voor de dove medewerkers. We worden rondgeleid door Lewensruimte, een heel dorp. We bezoeken de zelfgebouwde kerk en mogen bewonerskamers zien. We zien de kamer van een bewoonster die opgegroeid is in een plakkerskamp, waar ze het hutje deelde met twintig anderen. Voor haar is een eigen ruimte, een bed en voldoende eten zo `wonderlik' (bijzonder) dat zij vroeg: word ik nu ook blank? Ze richt haar kamer niet in, houdt haar spullen op een hoopje om zo weer weg te kunnen.

Attie vertelt dat kinderen die door de ouders gedumpt zijn (een veelvoorkomende praktijk omdat Xhosa-ouders dove kinderen als een vloek zien) geen identiteit hebben en dus geen recht op een uitkering. Voor Lewensruimte betekent dit dat men geen geld van de staat krijgt om zo'n bewoner te huisvesten. 's Avonds bij de sterrenhemel, buiten bij de bed & breakfast, kijk ik naar mijn eigen sterrenbeeld, de schorpioen (in Nederland nooit gezien), de drie koningen en het zuiderkruis.

Vrijdag

Onze laatste dag op Lewensruimte. We bezoeken de `De La Bat' school voor dove kinderen, naast Lewensruimte. Caroline vertelt over haar werk in Nederland, hoe zij samenwerkt met dovenscholen in het voorkomen en diagnosticeren van problemen bij dove leerlingen. We mogen wat klassen bezoeken, samen met de schoolzielkundige. De school ziet er redelijk verzorgd uit, al zijn er gemeenschappelijke wasruimten en toiletten voor tien, vijftien kinderen. In de hoogste klas vertellen we wat over de euro, en laten wat van ons geld zien. In de lagere klassen zien we veel meer zwarte kinderen, omdat de leerlingen nu niet meer per kleur naar school gaan. Eindelijk zie ik Donovan, de Xhosa-jongen, waar Deon de Villiers (directeur fondsenwerving van Lewensruimte en La Bat) ons in Nederland al over vertelde. Hij is verstoten door zijn plakkerskampmoeder en wordt in de vakantie verzorgd door een pleegmoeder. Als hij na zeven weken terugkomt op het internaat zit zijn hoofd vol zweren en is zijn buik gezwollen van de ondervoeding. Nu is het een lekkere, vrolijke knul, die graag op de foto gaat. Ik leer zijn naamgebaar: een tikje met de wijsvinger onder zijn oog. Bij de afsluitende vergadering met Attie en zijn `span' bespreken we de samenwerkingsmogelijkheden op het gebied van scholing en ontwikkeling. Rina zegt toe de directies te zullen informeren en hen het `vennotskap' te laten tekenen. Ze belooft naar `befondsing' te gaan zoeken.

's Avonds tijdens de `afscheidsbraai' bij Deon bedenken we allerlei sponsormogelijkheden, zoals het herstellen van het contact met de `moederkerk' in Nederland (verloren gegaan door de apartheid), sponsoring van verstoten kinderen, Europese ontwikkelingsfondsen, en financiering van onze bijscholing door andere fondsen. We eten koeksisters tot besluit.

Zaterdag

Moe en vol met indrukken van de hele week zitten we gedrieën te ontbijten. We gaan nog een paar dagen vakantie houden voor we terugvliegen. Terwijl ik mijn koffer probeer in te pakken, komt Lisa het kamermeisje langs. Ze heeft gisteren al veel kleren voor mij opgevouwen. De hele week is het (ondanks dat we elkaar niet zien) alsof we samen van mijn kamer gebruikmaken. Ze drinkt een kopje koffie bij me, eet een hollandse koek mee en ruimt mijn rommel op. We verschillen af en toe van mening over wat rommel is. Ik bedank haar voor haar harde werken, en geef haar wat Randen. Kennelijk is ze dat niet gewend want ze begint te stralen. Later blijkt dat we alledrie hetzelfde gedaan hebben, zodat Lisa in ieder geval een goede zondag tegemoet gaat.

We rijden door de prachtige Kleine Karoowoestijn richting Swellendam, waar we tijdens de lunch bedelende kinderen wat geld geven. Het wordt ons door de restauranteigenaar niet in dank afgenomen. Eindelijk hebben we wat tijd om te praten over wat ons de hele week al bezighoudt: het contrast tussen de gigantische armoede van de zwarte bevolking en ons rijke westerlingen. Als ik op reis (en thuis tegenwoordig ook) arme mensen zie die mij iets proberen te verkopen, kan ik niet afdingen. Dan moet ik altijd denken aan wat ik allemaal bezit en het maakt me niets uit of ze mij zien als een toerist die niets weet van prijzen. Rina en Caroline zijn het helemaal met mij eens. Aan het eind van de middag komen we aan bij het strandhuis in Groot Brakrivier. Paul, mede-eigenaar van het huis, heeft het voor een paar dagen aan ons uitgeleend.

Zondag

Vannacht gedroomd dat ik thuis was, waarschijnlijk door het geluid van de Indische Oceaan dat lijkt op dat van de Noordzee vlakbij mijn huis. Paul belt om te vragen of `alles wel is met de kuier'. Wat is iedereen toch lief voor ons.

We gaan naar Knysna een natuurwandeling maken in een reservaat. Als we moe van het klauteren op een terrasje uitrusten komt een prachtige zwarte vrouw langs met een enorme lading mooi houtwerk op haar hoofd. We kunnen de verleiding niet weerstaan en kopen alledrie wat. Eindelijk kan ik zien hoe men zo'n lading op zijn hoofd draagt: men maakt een stevige cirkel van stof waarop de vracht rust.

Maandag

's Morgens heb ik mijn handgeschreven dagboekaantekeningen in mijn mailmobiel ingetypt, terwijl Rina werkt aan een rapport over verslavingszorg voor doven in Nederland en onze `kleine' (Caroline) lekker aan het strand gaat pootjebaden. Ik merk dat het beschrijven van de armoede mij erg emotioneert. Ik moet helaas veel weglaten, zoals de beschrijving van Lewensruimte. Het is een klein dorpje op zich, met lage witte huizen, gelegen aan de spoorbaan. Het daarnaast gelegen Instituut vir Dowes (de la Bat school) heeft dit terrein gekregen omdat dove mensen toch de trein niet kunnen horen(!). Dat het voorbijrazen van treinen heel storend kan zijn voor audiologische onderzoeken was men even vergeten.

In Lewensruimte heeft men naast de woonhuizen ook werkplaatsen, waar men prachtig aardewerk bakt, glas slijpt en wijnrekken maakt, een kwekerij en een restaurant. Het hele terrein is aangepast aan dove mensen. De kerk, door de bewoners zelf gebouwd, is helemaal afgestemd op doven, qua zichtlijnen en lichtval. Daardoor kunnen dove kerkbezoekers, waar ze ook zitten, de dienst in gebarentaal goed volgen en is het een echte dovenkerk.

Dinsdag

Terug richting Kaapstad, waar we zo'n 400 kilometer vanaf zitten. Bij het zoeken van een Bed & Breakfast zien we een bordje `pinguïns' en dan gaat een grote wens in vervulling: pinguïns in het echt zien! Ik kan ze bijna aaien.

Woensdag 17 april

Op weg naar het vliegveld passeren we de plakkerskampen weer. Sommige stukken hebben kleine stenen huisjes, een klein stapje in de goede richting. Wat een land, wat een contrasten. Daar gaan we dan weg van het land dat bij zijn elf erkende talen gebarentaal ook meegenomen heeft (maar er geen consequenties aan verbindt) naar Nederland waar zonder erkenning wel iets gebeurt. Xa sikunye siyophu mulela, Saam sal ons wen, Attie!