Het verloren Arcadië van een bang buitenbeentje

Frankrijk is een schizofreen land dat laveert tussen een glorierijk verleden en een uitdagende toekomst. Soms dwars, meestal doodsbang. Maar bovenal een land dat zich uitzonderlijk waant. En is.

Behalve vader des vaderlands was Charles de Gaulle ook een geniale dichter. Wie anders dan deze oud-president van Frankrijk verwoordde zo treffend het gevoel dat zijn land over zichzelf koestert? In een tijd dat het begrip soundbite nog moest worden uitgevonden had hij het over une certaine idée de la France. Om De Gaulles zinsnede te begrijpen is meer dan een woordenboek nodig. Een `bepaald idee' over Frankrijk, jaarlijks bezocht door 75 miljoen niet-Fransen, heeft iedereen wel. Een lieflijk land waar iedereen wil wonen, waar de treinen op tijd rijden, de plantsoenen onderhouden worden en waar elegante stalen stoeltjes in de parken staan. Stoeltjes die niemand jat.

Maar dat beeld is toch niet hetzelfde als de liefdesverklaring van de president, waarin net zo goed heimwee doorklinkt naar een verloren Arcadië als gretigheid om de toekomst te lijf te gaan. Dat certaine idée de la France vat samen wat het land, tweeëndertig jaar na De Gaulles dood, nog altijd is. Een schizofreen land dat hink-stapspringend pendelt tussen een glorierijk verleden en een uitdagende toekomst. Dat er bij wijze van spreken prat op gaat voor arrogant en dwars te worden versleten, maar tegelijkertijd doodsbenauwd is. Dat excelleert in technologische hoogstandjes en daar trots op is, maar toch het liefst de klok zou stilzetten. Dat zichzelf cartesiaanse logica toedicht, maar daar geen consequenties uit trekt. Een land dat zich uitzonderlijk waant en uitzonderlijk is.

De feiten spreken voor zich, net als de spreekwoordelijke, voor de poorten van de hel van de wereldhandelsorganisatie WTO weggesleepte exception culturelle. Altijd buitenbeentje. Wél historisch voortrekker van de Europese Unie zijn, maar de communautaire afspraken niet nakomen, of het nu om het verdrag van Schengen gaat of om de liberalisering van de fameuze services publics. Wél zelf de Europese markt afgrazen, maar de eigen markt afschermen. Wél `vrijheid' als leidend beginsel omarmen, maar met ijzeren hand – tot en met quota's voor het Franse lied op de radio (minimaal veertig procent, waarvan de helft van `nieuw talent') – de eigen cultuur veiligstellen. Weten dat, om mee te kunnen komen met de rest van de wereld, het pensioenstelsel, het arbeidsrecht hervormd moeten worden, net als het immense ambtenarenapparaat – maar dat niet doen. Het niet kunnen. Het niet willen.

Wegens hang naar het oude, wegens angst. Het eigenzinnige, arrogante Frankrijk van het cliché dat geen uitleg behoeft is in de eerste plaats een bang land. Het heeft, vindt het zelf ook, veel te verliezen. Daarom moet alles blijven zoals het is. Daarom heten, net als de vorige keer, de belangrijkste kandidaten voor het presidentschap Lionel Jospin en Jacques Chirac, terwijl in omringende landen voortdurend wisselingen van de wacht plaatshebben. Daarom kiezen de Fransen, die het vroegst van Europa met pensioen gaan, opnieuw tussen een 64- en 69-jarige, van wie de laatste al dertig jaar onafgebroken republikeinse paleizen bewoont.

Alle Fransen vinden dat er hervormd moet worden, maar hervormen durven ze niet. Waarom doet een volbloed-Trotskiste als presidentskandidate Arlette Laguiller, aanvoerster van een geheime-cellenstructuur, het zo goed in de peilingen? Ze heeft haar mogelijk drie miljoen kiezers bij voorbaat al opgeroepen tot een algemene staking, zoals die in 1936 en 1968 plaatshad, ,,om het patronaat een lesje te leren''

Uitvoering van haar bolsjewistische programma, zo hebben kranten berekend, zou binnen de kortste keren twintig miljoen van de zo geliefde `arbeiders' en `arbeidsters' de werkloosheid injagen. Toch ken ik zelfs een bezitter van een tiental huizen met een forse erfenis in het vooruitzicht, die op haar gaat stemmen. Hij vindt Arlette rigolote, geinig. Die kwalificatie doet haar tekort. Laguiller was begin jaren zeventig voor de eerste keer presidentskandidate. Sindsdien heeft ze geen jota meer in haar programma en toespraken gewijzigd. Ze treedt voor de vijfde keer aan. Ze is meer dan alleen maar grappig. Haar onrealistische plannen zijn een echo uit een veilig verleden. Toen de staat nog alles regelde en beheerde en Frankrijk nog niet het hoofd hoefde te bieden aan een vrije markt en mondialisering. Het Frankrijk van Laguiller hóórt bij une certaine idée de la France.

Net als de mogelijke herverkiezing van een president die, achtervolgd door schandalen, het imago schaadt van een land dat bij uitstek aan dat imago hecht. Chirac en `Arlette la Starlette' zijn exponenten van een in angst gewortelde nostalgiecultuur, die eerder de uitzonderingspositie van Frankrijk bepaalt dan eigenzinnigheid of arrogantie. Het is ook het gedroomde Frankrijk uit De Gaulles bon mot dat genoegen blijft nemen met het presidentiële systeem, al is het in strijd met de grondslag van de Republiek, de soevereiniteit van het volk.

Het maximale dat de ondanks alles geëmancipeerde kiezer ter vergroting van de controle op de macht sinds zestien jaar afdwingt, is de cohabitation, de `samenwoning' van een president en een premier van verschillende politieke kleur. Die heeft als ongelukkig gevolg dat twee Franse leiders in het buitenland `met één stem' zeggen te spreken, terwijl ze binnenslands elkaars beleid frustreren. In die verwarrende toestand zien de meeste opinieleiders het bewijs van de `soepelheid' van het systeem. Slechts een handjevol stokpaardberijders filosofeert over een parlementair stelsel met een ceremonieel staatshoofd.

Fransen houden niet van debatteren op het scherp van de snede. Ze kunnen verliefd raken op woorden en ideeën, zelfs politici schrijven het ene boek na het andere. Ze zijn meesters in het discours als vrijblijvende, intellectuele exercitie. Het is niet doordat de Franse maatschappelijke werkelijkheid afwijkt van de Nederlandse, dat in Frankrijk softdrugs niet getolereerd worden en euthanasie niet bij wet geregeld is. Er wordt nauwelijks over gesproken. Uit conservatisme, maar vooral omdat men een weerzin heeft tegen het praten over concrete problemen. `Moeilijke' gesprekken aan tafel worden bij voorkeur vervangen door wetenswaardigheden over de wijn en het recept van het opgediende gerecht. Wit kan wel bij kaas, de kool is twee keer in vers water gekookt om winderigheid te voorkomen. Over het drama van Srebrenica, waarbij Frankrijk net als Nederland betrokken was, heeft geen intellectueel of schrijver zich uitgelaten. Het ter discussie stellen van autoriteiten, zoals in de kwestie-Srebrenica aan de orde zou zijn, past niet bij het `zekere idee' dat Fransen van zichzelf en hun land hebben.

Dat ontzag voor het gezag niet altijd terecht is, beseffen ze heel goed, maar er is wel meer dat niet klopt en toch gehandhaafd wordt. Amnestie voor verkeersovertreders bijvoorbeeld, bij het aantreden van een nieuwe president. Statistieken wijzen uit, dat er de maanden vóór de machtswisseling, altijd beduidend meer verkeersdoden vallen wegens snelheidsovertredingen. Iedereen is overtuigd van het verband tussen de doden en de amnestie. Toch blijft het systeem bestaan.

Met de autoriteitsgevoeligheid van de Fransen hangt misschien ook hun wellevendheid samen. Die is geen mythe. Die bestáát en is een van de vele redenen om van dit land houden. Iedereen groet met twee woorden, zegt `ja' en `nee' met twee woorden en neemt afscheid met twee woorden. Men biedt voortdurend verontschuldigingen aan, zegt vaak `graag gedaan'. Het `cher ami', tussen twee zinnen uitgesproken, is courant en geen aanstellerij. Het is een verademing, die onderlinge beleefdheid, en een belangrijk houvast in het sociale verkeer.

Maar het savoir-vivre is ook een manier om afstand te bewaren: de scheidslijn tussen beleefdheid en ontgoochelende kilte blijkt soms vaag. Spontaniteit is hoe dan ook niet de meest in het oog springende eigenschap van Fransen, ze voeden het vermoeden redelijk coincé (geblokkeerd) te zijn. Het duurt even voordat je het beseft, maar Fransen kijken elkaar nooit aan op straat. Het `oh la la' van Parijs is een dode letter. Ook onderzoek wijst dat uit.

Nederlanders hebben in hun leven bijna twee keer zoveel seksuele relaties als de legendarische Franse minnaars. Vijftien procent van de Franse vrijgezellen zegt meer dan één partner te hebben gehad in het laatste jaar. Misschien wordt het tijd dat ik een vriendin bel, om eens te vragen. ,,Wat anderen in hun slaapkamer doen, weet ik niet'' zegt ze. ,,Maar we zijn inderdaad een uitzonderlijk volk. Onze academische traditie en onze literatuur zijn van een zeldzame kwaliteit. Dat hebben jullie in Nederland niet. Maar wij schipperen met onze principes. We zijn republikeinen in hart en nieren, toch zouden we het liefst een koning kiezen. Arlette is folklore en kan geen kwaad, ze rijdt alleen Jospin in de wielen. We zijn tamelijk racistisch. Maar we hebben geen neiging tot fascisme, zoals Italië.

,,Une certaine idée de la France? Ach, dat moet je in de context zien, van toen. Weet je trouwens wat De Gaulle ook heeft gezegd? `Een land met driehonderd soorten kaas is niet te regeren'. Haha, ik hield van die man, altijd het juiste woord op het juiste moment.''