Het vaderland ontduitsen

De geschiedenis, schreef Voltaire, is de leugen waarover historici het eens worden. Maar vaak worden historici – of politici, of burgers – het nooit eens. De huidige ophef over de Beneš-decreten in vijf Centraal-Europese landen – Tsjechië, Slowakije, Oostenrijk, Duitsland en Hongarije – is zo'n geval.

De Tsjechoslowaakse staat die in 1918 op de ruïnes van het Habsburgse rijk werd gevestigd telde een minderheid van 3,1 miljoen etnische Duitsers. Zij voelden niets voor die nieuwe staat: eerst probeerden ze onafhankelijk te worden, vervolgens zochten ze vergeefs aansluiting bij Oostenrijk of Duitsland. Dat gebrek aan loyaliteit werd hun door de Tsjechen en Slowaken stevig aangerekend: gediscrimineerd werden de Sudeten-Duitsers volop.

Geen wonder dat ze in de jaren dertig onder leiding van hun leider Konrad Henlein volop vielen voor de Heim ins Reich-ideologie van Hitler. De gretigheid waarmee ze na het akkoord van München van 1938 – waarin de Franse premier Daladier en de Britse premier Chamberlain Hitler het Sudetenland cadeau deden – de nazi's verwelkomden, maakte de Tsjechoslowaken duidelijk dat alle Sudeten-Duitsers landverraders waren.

Voor de Tsjechoslowaakse president Beneš stond vanaf het begin van de oorlog één ding vast: alle ruim drie miljoen Sudeten-Duitsers moesten na de oorlog het land uit. Het kostte Beneš weinig moeite de leiders van de geallieerden, Churchill, Roosevelt (en later Truman) en Stalin mee te krijgen. Geen van drieën lag wakker van massale gedwongen volksverhuizingen.

Begin 1945 krabbelden zowel de Britten als de Amerikanen wat terug, maar die aarzeling was ingegeven door bezorgdheid over de komst van miljoenen gedeporteerde Duitsers naar de Britse en Amerikaanse bezettingszone in Duitsland. Toch gaven de geallieerden in Potsdam Praag en Warschau het groene licht voor de verdrijving van de Duitsers. Na zijn terugkeer naar Praag zorgde Beneš later in 1945 met zijn decreten voor een juridische grondslag: de Sudeten-Duitsers en de Hongaren in Slowakije raakten bezittingen kwijt, hun staatsburgerschap en ten slotte hun recht om in Tsjechoslowakije te wonen.

`Potsdam' en de decreten vormden een legitimatie ex post facto, want de massale etnische zuivering was al vóór Potsdam begonnen. Na de bevrijding werden de Duitsers onderworpen aan een regime van repressie: ze mochten geen Duits spreken, niet op parkbanken zitten, de trein gebruiken of restaurants bezoeken en ze mochten maar beperkt winkels betreden.

Vervolgens begonnen de deportaties. Honderdduizenden Duitsers werden beroofd, mishandeld en als vee op transport naar Duitsland gezet, soms in treinen, soms te voet. Duizenden werden vermoord, vaak op brute wijze, duizenden anderen bezweken aan ziekte, honger en uitputting, weer duizenden anderen pleegden zelfmoord (in 1946 5.558). Alleen al in Ústí nad Labem vielen 2.700 doden. De verdrijving werd één grote wraakactie voor wat de Duitsers in de oorlog de Tsjechen hadden aangedaan. De wreedheid van de Tsjechen verbijsterde zelfs de Russen.

In totaal werden 3,2 miljoen Sudeten-Duitsers gedeporteerd. Er bleven er 200.000 achter: onmisbare specialisten en hun gezinnen – zij mochten blijven tot ze konden worden vervangen door Tsjechen en Slowaken –, Duitsers in een gemengd huwelijk, en een handvol anti-fascisten. De meesten moesten later alsnog gaan. In Sudetenland werden hun sporen uitgewist. Anno 1985 woonden er in Tsjechoslowakije nog maar 56.000 Sudeten-Duitsers.

De verdrijving van de Sudeten-Duitsers heeft volgens schattingen tussen 19.000 en 30.000 mensen het leven gekost. De verdrijving van de Duitsers uit Polen was nog veel bloediger. Een half miljoen Volksdeutsche (leden van de Duitse minderheid in het Polen van voor de oorlog) en Reichsdeutsche (Duitsers uit delen van het Reich die na de oorlog bij Polen werden gevoegd) kwamen om bij een etnische zuivering die niet eens met decreten à la Beneš werd gelegitimeerd.

In beide gevallen was wraak een belangrijk motief. Maar een zeker even belangrijk motief was de behoefte aan een etnisch homogeen Tsjechoslowakije en Polen. De verdrijving van de Hongaarse minderheid uit Slowakije lukte maar ten dele (Beneš werd halverwege teruggefloten). Maar Polen slaagde uitstekend in de opzet: de Duitsers werden massaal verdreven, de 480.000 zielen tellende Oekraïense minderheid werd `geruild' tegen de 2,1 miljoen Polen die na het hertrekken van de grenzen in Oekraïne terecht waren gekomen en de Roethenen werden over het hele land verspreid en aldus gedwongen geleidelijk te assimileren.