Het grote sterven

Dieren en planten sterven in rap tempo uit. De oorzaak is bekend: de mens. Hoe erg is die teruggang in biodiversiteit? Als het op eilanden gebeurt, is het niet zo erg, zegt de paleontoloog Boekschoten. Biologen denken er anders over.

`Ik heb net vorige maand vijf vogels uit de algemene verzameling gehaald en toegevoegd aan de collectie `uitgestorven', zegt dr. René Dekker, conservator `Vogels' bij het Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis in Leiden. De eskimowulp, drie soorten Hawaii-vinken en de grote Kauai-lijster.

Dekker is net terug van een lange reis langs meer dan vijfentwintig eilanden in de Stille Zuidzee. De rondreis was een lang gekoesterde wens van Dekker, die zich in het bijzonder interesseert voor de avifauna van eilanden. Hij nam een half jaar vrij voor zijn rondreis.

In Den Haag eindigde gisteren de VN-conferentie over biodiversiteit, waarbij vooral gedelibereerd werd over het behoud van de oerbossen. Deze bossen herbergen naar men aanneemt enorme hoeveelheden, grotendeels nog onbekende soorten. De oerbossen (in het Amazonegebied maar ook in Indonesië, Canada, Siberië en Afrika) hebben veel te lijden van (illegale) houtkap. Met het bos verdwijnt een groot deel van de biodiversiteit op aarde, onopgemerkt.

Veel zichtbaarder is het uitsterven op eilanden. De toestand van de eilandnatuur zoals Dekker die aantrof stemde niet tot vrolijkheid. ``De meeste eilanden die ik bezocht zijn volkomen verpest'', zegt Dekker. ``De afgelegen eilanden zijn niet rijk aan vogelsoorten. Voor een vogelaar is het er zelfs saai. In de bossen op sommige eilanden kom je geen enkele zangvogelsoort tegen. Ze zijn uitgestorven, of de eilanden liggen zo afgelegen dat zangvogels ze nooit succesvol hebben kunnen koloniseren.

``Er was één uitzondering: Taveuni, één van de Fiji-eilanden. Ik was ademloos. Alles wat je zag was uniek, deze soorten kwamen alleen op dat eiland voor, hooguit nog op een paar buureilanden. Zo moet het geweest zijn toen de Polynesiërs duizenden jaren geleden voor het eerst de eilanden in de Stille Zuidzee koloniseerden.''

De Leidse collectie van uitgestorven dieren, waarvan Dekker het vogelgedeelte onder zijn hoede heeft, is een van de grootste ter wereld. Veel ervan werd al in de negentiende eeuw bijeengebracht door de toenmalige museumdirecteur en ornitholoog Coenraad Jacob Temminck (1778-1858). Het is veilig opgeslagen in de twintig verdiepingen tellende conservatietoren, boven het museum. Achter zware deuren en beveiligd met elektronische toegangspasjes ligt het kostbare natuurlijke erfgoed opgeslagen. Om het verval zoveel mogelijk tegen te gaan wordt het in het aardedonker bewaard onder gecontroleerde vocht- en temperatuuromstandigheden. Deze collectie is alleen toegankelijk voor onderzoekers, de stukken zijn te kwetsbaar om te worden tentoongesteld. Sommige exemplaren zijn in levendige posities opgezet, anderen liggen als zogeheten balgen (opgestopte huiden) in zuurvrije kartonnen dozen.

Het lijkt de Ark van Noach wel, met van bijna elke soort een exemplaar van ieder geslacht. Dekker: ``Temminck streefde ernaar om van elke soort twee exemplaren te krijgen, een mannetje en een vrouwtje. Als hij er meer had, gebruikte hij die als ruilobject. In 1819 had er een veiling plaats van de inventaris van het Bullock's museum in Londen. Daar heeft Temminck een goede slag geslagen. Zo komt het dat er in onze verzameling ook materiaal is terug te vinden dat de beroemde Captain Cook van zijn reizen had meegenomen.''

eilandsoorten

Onder de uitgestorven dieren bevinden zich opvallend veel eilandsoorten. ``Dat klopt'', zegt Dekker. ``Eilandsoorten zijn kwetsbaar. Ze verdwijnen het eerst omdat het vaak onaangepaste soorten zijn. De dieren zijn er niet aan gewend dat zij bejaagd worden en hebben vaak geen enkel verweer tegen een nieuwe vijand. Bovendien zijn er op een eiland veel minder vluchtmogelijkheden dan op het vasteland en zijn de populaties vaak klein door de beperkte omvang van het leefgebied.''

Onlangs verscheen het boek `Een gat in de natuur' (Uitgeverij Atlas) van de Australische bioloog Tim Flannery en illustrator Peter Schouten, met daarin 103 soorten (meestal eilandsoorten) die recent door toedoen van de mens zijn uitgestorven. Jacht door de mens, maar ook de invoer van ratten, katten, varkens en boomslangen betekenden voor veel endemische dieren van de oceanische eilanden het doodvonnis. De dieren waren vaak op geen enkel gevaar beducht zoals ook wel blijkt uit Flannery's beschrijvingen van bijvoorbeeld de lachuil die `zo'n zachtaardig temperament had dat het prima huisdieren zouden zijn geweest'.

Volgens Dekker is de omvang van uitsterven dramatisch groot: ``In Polynesië is ongelooflijk veel uitgestorven. Tot voor kort dacht men dat tachtig procent van de oorspronkelijke eilandvogels nog leefde toen de Europeanen de eilanden voor het eerst bezochten. Twintig procent van de vogels zou daarvoor door de Polynesiërs zijn uitgeroeid. Maar recent onderzoek door de Amerikaan David Steadman, die ondermeer botresten van kampvuren determineerde, wijst erop dat er oorspronkelijk veel meer soorten zijn geweest. Wat we nu zien is hooguit twintig procent van de oorspronkelijke biodiversiteit van de vogelfauna. De Polynesische jagers of de door hen meegebrachte ratten, katten en varkens hebben al tachtig procent van de soorten opgegeten of verdrongen voordat de Europeanen kwamen. Er zijn zo'n tweeduizend vogelsoorten verdwenen op de eilanden in de Stille Zuidzee. `Survival is the exception', luidt een fameuze uitspraak van Steadman.''

Maar niet alle wetenschappers zijn het met Dekker eens dat de biodiversiteit in recente jaren ernstig geweld wordt aangedaan door het uitsterven van eilandvogels. Volgens dr. Bert Boekschoten, als emeritus paleontoloog verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam, is het belangrijk te onderscheiden in welk type biogeografisch gebied een soort uitsterft. Dat bepaalt namelijk de ernst ervan. Uitsterven van soorten op de grote continenten (Eurazië, Afrika en de Amerika's), zoals in de bedreigde oerbossen, is het ergst. Dan volgt het uitsterven op de microcontinenten (Australië, Madagascar en de Seychellen) en als laatste het uitsterven op de oceanische eilanden die over het algemeen heel geïsoleerd liggen en nooit aan enig continent hebben vastgezeten.

Boekschoten: ``De oceanische eilanden zijn steevast door vulkanisme ontstaan en zijn nog vrij jong. De Galapagos-eilanden bijvoorbeeld zijn hoogstens 600.000 jaar oud de helft is jonger dan 300.000 jaar. Daar zit hem de kneep: in die korte tijd ontwikkelt zich daar niet veel bijzonders.

``Er verdwijnen veel eilandsoorten, maar is het erg? De teloorgang van oude klederdrachten vind ik ook zonde. Onder de uitgestorven dieren zijn een paar echte verliezen geweest, bijvoorbeeld de Steller zeekoe of de reuzenalk. Maar dat de Tahiti strandloper of de dodo is verdwenen? Dat is jammer, maar ik krijg er geen tranen van in mijn ogen. Dit zijn allemaal oceanische eilandvarianten, geen unieke soorten.''

Volgens Boekschoten zijn de `wonderlijke' dieren die op eilanden voorkomen allemaal dichtbijstaande afstammelingen van diersoorten van het vasteland. Ze zijn daarom minder uniek dan wel wordt beweerd. Het bijzondere van deze dieren is alleen dat zij door hun geografische isolatie snel van uiterlijk zijn veranderd.

Boekschoten: ``Vooral bij waterhoentjes gaat dat rap. Op een geïsoleerd eiland worden deze dieren heel snel pedomorf. Dat wil zeggen dat ze zich al als kuiken gaan voortplanten. Want bij afwezigheid van roofdieren heeft het dier dat zich het snelste weet voort te planten, het meeste succes.

``Ik denk dat varianten van vogelsoorten op deze manier heel snel kunnen ontstaan, in tijdsbestek van een paar eeuwen. Het is dan nog geen soort maar meer zoiets als een slag kanarie. Het is volstrekt vergelijkbaar met de uiterlijke veranderingen die zich voordoen bij huisdieren – honden, katten, volièrevogels. Kijk maar hoe fantastisch die er na een paar generaties uitzien.''

Tijdens een van zijn wetenschappelijke excursies naar de eilanden in de Indische Oceaan ontdekte Boekschoten dat endemische waterhoenen die vrij recent zijn ontstaan nog probleemloos onderling kunnen kruisen. De ral van Aldabra, een waterhoen dat niet kan vliegen, krijgt probleemloos gezond nageslacht met de ral van Madagascar, die nog wel kan vliegen. ``Zijn het dan aparte soorten? Het is maar wat je een soort noemt'', zegt Boekschoten.

uitstervingsgolf

De Engelse paleontoloog en naturalist Richard Leakey spreekt over `de zesde grootste uitstervingsgolf' in de geschiedenis van het leven. De mens zou een ramp van dezelfde omvang creëren als die zich in het geologische verleden eerder hebben voorgedaan. In schaal vergelijkbaar dus met de uitstervingsgolf die 65 miljoen jaar geleden een einde maakte aan het rijk van de dinosauriërs.

``Zo ver als Leakey zou ik niet willen gaan'', zegt Boekschoten. ``Er is door de mens een ontzaglijke verarming opgetreden, maar in feite valt het nog mee. Je moet niet vergeten dat er sprake is van co-evolutie met de mens. De dieren zijn gewend aan de invloed van de mens. De oudste mensachtige is 1,7 miljoen jaar geleden ontstaan, maar vormde toen nog geen echte bedreiging voor de dieren. Dat werd al meer na de uitvinding van de vuistbijl. Met de beheersing van het vuur ging het pas echt hard. De mens stak het bos in brand en het wildbraad liep hem gewoon tegemoet. Toch is het effect daarvan beperkt gebleven, omdat de dieren zich aan de jagende mens aanpasten.''

Waar de mens als nieuwkomer verscheen, veroorzaakte hij grote sterfte, zegt Boekschoten. ``De indianen zijn om die reden veruit de grootste uitroeiers van allemaal geweest. Toen zij dertienduizend jaar geleden via de Beringstraat vanuit Azië het Amerikaanse continent veroverden, hebben zij in duizend jaar tijd de grootste slachting ooit aangericht. De dieren van de nieuwe wereld waren geëvolueerd in afwezigheid van een gevaarlijk roofdier als de mens. Ze waren daarom nauwelijks aangepast aan bejaging. Wat er toen gebeurde in de Amerika's kun je gerust een catastrofe noemen. Daarbij valt het huidige uitsterven in het niet'', aldus Boekschoten.

Prof.dr. Edi Gittenberger, hoogleraar systematische dierkunde aan de Rijksuniversiteit Leiden en conservator `Weekdieren' bij Naturalis sluit zich wel aan bij Leakey: ``De schaal waarop dieren nu uitsterven is inderdaad vergelijkbaar met eerdere uitstervingsgolven. Objectief bezien is zo'n massale uitsterving in het dierenrijk niet heel bijzonder. En bovendien was het nooit zo dramatisch dat echt alles is verdwenen. Het leven gaat weer door, zij het in een andere vorm. Dat leidt er ook toe dat sommige wetenschappers volhouden dat `het wel weer goed komt'. En ik zou onwetenschappelijk zijn als ik het tegendeel beweer.

``Maar voordat `het goed komt' zal er eerst heel wat verdwijnen en het herstel zal veel tijd nemen. En daar wringt het bij mij. Als mens hecht ik eraan soorten te behoeden voor uitsterven. Ik wil een wereld in stand houden met een brede biodiversiteit, om daar een zeker genoegen aan te beleven. Dat het er over honderdduizend jaar door voortgaande evolutie weer wat beter zal uit zien, vind ik een schrale troost. Een zeer divers ecosysteem is ook minder kwetsbaar voor verstoringen, is de gedachte. Het bevat daarnaast een enorm reservoir aan genetische informatie die nog grotendeels onbekend en onbenut is, in de landbouw en in de medische wetenschap''

Volgens Gittenberger is de omvang van het sterven ook veel groter dan het op het eerste gezicht lijkt: ``Grote aantallen soorten verdwijnen zonder dat we het weten. Bij het uitsterven van dieren gaat bijna alle aandacht uit naar vogels en zoogdieren. Deze dieren kent men en ze vallen op. De grootste drama's, gemeten naar aantallen soorten, spelen zich echter elders af. Er zijn miljoenen diersoorten, waarbinnen de gewervelden slechts een groep van enkele tienduizenden soorten vormen. Het overgrote deel van de fauna bestaat uit ongewervelde dieren, insecten. Daar zit de grootste biodiversiteit, maar die kennen we nog maar fragmentarisch.

``Zo deed Ton de Winter van Naturalis onderzoek in het oerwoud van Kameroen. Het was een zuur stuk bos, dus een arm milieu voor landslakken. Meestal zie je er alleen soorten zonder huisje. De Winter zette er een vierkante kilometer af en inventariseerde alle slakken daarbinnen: hij vond meer dan honderd verschillende soorten, waarvan enkele tientallen onbekende. Van sommige soorten trof hij maar een of twee exemplaren. Bij herhaling van de telling in een vergelijkbaar bosperceel even verderop, vonden we tot onze verrassing behalve dezelfde ook heel andere soorten slakken. Als je dat extrapoleert moet je concluderen dat er nog heel veel soorten onbekend zijn voor de wetenschap. Dat betekent dat met het kappen van een stuk regenwoud een flink aantal endemische soorten onopgemerkt zal verdwijnen.''

Dekker wijst erop dat het uitsterven onder vogels op dit moment nog onverminderd doorgaat: ``Er zijn momenteel 125 vogelsoorten in de wereld waarvan er slechts honderd of minder exemplaren over zijn. Als daar niets mee gebeurt, dan zullen zij op korte termijn uitsterven. Zo zijn er nog drie exemplaren van de Po'ouli overgebleven; een Hawaii-vink waarvan nog slechts één mannetje aan de ene kant van de berg leeft en twee vrouwtjes op de andere helling. Die probeert men nu bij elkaar te brengen, zodat er in ieder geval weer een paartje is dat jongen kan voortbrengen. Maar feitelijk is deze soort natuurlijk ten dode opgeschreven.''

Volgens Dekker is de situatie op de Hawaii-eilanden overigens voor de totale endemische vogelfauna penibel. De eilanden kenden ooit net zo'n bijzondere, tot veelvormige specialisten uitgewaaierde soortenzwerm van vogels als Charles Darwin die tijdens zijn beroemde reis met de Beagle aantrof op de Galapagos eilanden. Op Hawaii speelden honingzuigende vinken de hoofdrol. Veel van deze gespecialiseerde en vaak kleurrijke Hawaii-vinken zijn echter al uitgestorven. Enkele soorten werden door de oorspronkelijke bevolking al intensief bejaagd wegens hun decoratieve veren. Dekker: ``De tweede grote klap voor de endemische vogels op Hawaii kwam toen Europeanen de eilanden koloniseerden en vogelmalaria meebrachten. De Hawaii-vinken van de afgelegen eilandengroep bleken totaal niet resistent tegen deze parasiet. Iedere vogel die geïnfecteerd raakte, ging onherroepelijk dood. Als een beest gestoken werd, viel hij even later letterlijk dood uit de boom.''

De soorten die het wel redden, zochten hun toevlucht in de hoger gelegen bossen waar het te koud was voor de malariamug. Maar volgens Dekker worden de vogels daar nu opnieuw bedreigd. Als gevolg van stijging van de gemiddelde temperatuur kan de malariamug zich naar steeds hoger gelegen gebieden uitbreiden. ``De mug komt voor van zeeniveau tot aan een hoogte van 700-800 meter. Het eiland Kauai heeft het hoogste plateau op zo'n 1000 meter boven zeeniveau, en daar, buiten het bereik van de mug, komen nog endemische Hawaii-vinken voor. Een fantastisch gezicht. Maar de oprukkende muggen maken het leefgebied van de endemen steeds kleiner. Als de insecten de 1000 meter-grens overschrijden, kunnen de vogels nergens meer heen en is het afgelopen.''

Dekker is vrij pessimistisch over de mogelijkheden om het tij te keren. ``Een soort die alleen nog maar voortleeft in gevangenschap, bestaat feitelijk niet meer,'' zegt hij. ``Captive breeding, het fokken van dieren in gevangenschap om ze later weer in de natuur uit te zetten, is geen oplossing voor het probleem van uitsterven. Dieren die in gevangenschap zijn opgegroeid zijn meestal niet meer aangepast aan het leven in de vrije natuur. Dergelijke pogingen zijn gedoemd te mislukken. Zoals bijvoorbeeld met de balispreeuw. Van die vogelsoort waren er nog maar twaalf exemplaren in het wild. In gevangenschap waren er veel meer en men heeft geprobeerd deze opnieuw uit te zetten. Maar de losgelaten dieren kenden het gebied niet en konden in de droge periode soms de waterpoeltjes niet vinden. Ze kwamen om van de dorst.''

ecotoerisme

Maar soms, heel soms, lukt het wel de dieren er weer bovenop te helpen. Dekker noemt een vliegenvanger op het eiland Rarotonga. ``Daar waren er ooit nog 28 van maar nu bestaat de populatie uit meer dan 250 exemplaren. Je kunt het dier nu makkelijk te zien krijgen als je maar veel lawaai maakt. Daar komen ze op af. Het zijn ongelooflijk nieuwsgierige dieren en waarschijnlijk heeft dat ze bijna de das om gedaan. Nu de populatie hersteld is wil men het voortbestaan ook in de toekomst veilig stellen. Biologen hebben tien beesten weggevangen en hebben daarme een tweede populatie gesticht op een naburig eiland, zodat er altijd nog een reserve is.''

De mens is veranderd van een soort die vooral andere soorten heeft uitgeroeid in een soort die andere soorten zoveel mogelijk wil behouden. Gittenberger ziet vooral ``goede vormen van ecotoerisme'' als een van de oplossingen. ``Costa Rica en de Galapagos Eilanden lopen hierin wereldwijd voorop. Ecotoerisme kan ervoor zorgen dat zeldzame soorten beschermd worden doordat er via de inkomsten een lokaal belang mee gediend is. Ik kan me er alles bij voorstellen dat iemand die niets te eten heeft zich niet al te veel zorgen zal maken over het uitsterven van soorten. Maar met verhoging van de levensstandaard in combinatie met bewustwording kan heel veel worden bereikt.''

Gittenberger denkt dat dit in arme tropische landen zal werken, maar ook in welvarende landen is er een rol voor ecotoerisme weggelegd. ``Zo zijn er bij Wenen twee warmwaterbronnen met zwavelhoudend water waarin een nietig zoetwaterslakje van twee millimeter lengte voorkomt. De gemeente heeft een speciaal kanaal laten aanleggen om het diertje te beschermen. De lokale bevolking is er apetrots op. Je ziet er niets van maar iedereen weet daar dat het slakje in het water leeft. En typisch welvaartsverschijnsel, maar hoe triviaal dit ook overkomt, de natuur is ermee gered.''