GENTHERAPIE SUCCESVOL BIJ VIER VAN VIJF BALLONKINDEREN

Gentherapie die het afweersysteem weer herstelt bij jongetjes met SCID (ernstige gecombineerde immunodeficiëntie) blijft minstens een jaar werkzaam bij de meeste behandelde kinderen. In een vanuit Parijs gecoördineerd gentherapie-experiment hebben nu vijf jongetjes langer dan een jaar gelden hun gentherapie gehad. Bij vier van hen functioneert het afweersysteem zo goed dat ze niet meer voortdurend aan infectieziekten lijden. Ze leven ook niet meer in een geïsoleerde, steriele omgeving. (The New England Journal of Medicine, 18 april)

SCID-kids zijn beroemd als bubble boys, omdat sommigen in steriele balloncouveuses leven. Vroeger stierven SCID-kinderen in hun eerste levensjaar. Pas toen in de jaren zeventig van de vorige eeuw beenmergtransplantaties gebruikelijk werden (de eerste werd in 1968 bij een SCID-kind uitgevoerd) konden 70 tot 90% van hen lang overleven, maar de meesten bleven afhankelijk van maandelijkse injecties met afweermoleculen (immuunglobulinen) en hertranstanplantaties.

Er bestaan een aantal genafwijkingen die tot SCID leiden, maar de bekendste is de X-gebonden vorm. In 1993 is ontdekt dat het defecte gen een multifunctionele eiwitketen hoort te maken die onderdeel is van de receptoren voor interleukine-2, -4, 7, -9, -15 en -21. Die receptoren zijn eiwitten in de celwand waar boodschappermoleculen (de verschillende interleukinen) aan binden. Interleukinen bevorderen of dempen ontstekingsreacties.

SCID-kinderen met de X-gebonden afwijking maken wel B-cellen, maar geen T-cellen en killercellen. Dat zijn de belangrijkste soorten witte bloedcellen. De kinderen missen daardoor een belangrijk deel van hun afweersysteem.

De gentherapie is in levende cellen, maar buiten het lichaam (ex vivo) uitgevoerd. Bij de patiënt zijn allereerst beenmergcellen (met daarin alle voorstadia van de witte bloedcellen) afgenomen. De beenmergcellen zijn bewerkt en daarna geïnfecteerd met een muizen-leukemievirus. Dat virus is zo gemanipuleerd dat het geen ziekte meer veroorzaakt en het gen voor de intacte eiwitketen in het DNA van de beenmergcellen plaatst.

Vier van de vijf jongetjes (die aan het experiment mochten deelnemen omdat er geen geschikte beenmergdonor beschikbaar was) verbeterden bijna zienderogen nadat ze hun genetisch veranderde beenmerg terug hadden gekregen. Hun infecties verdwenen en binnen drie maanden verlieten de jongens hun `ballonnen' (minder plastisch gezegd: hun geïsoleerde steriele omgeving). Bij één van de vijf mislukte de therapie. Hij onderging voorlopig een conventionele beenmergtransplantatie.

Duitse onderzoekers waarschuwen ondertussen voor de schadelijke bijwerkingen van gentherapie (Science, 19 april). In muizen die ze gentherapie gaven met een soortgelijke virusvector die voor de SCID-kinderen werd gebracht vonden ze een toename van leukemie. Ze denken dat dat komt door de genschade die het virus in het DNA van zijn gastheer aanricht.