Een kwartet tegen alles en elkaar

Ondanks de vele interne ruzies heeft extreemrechts nog steeds een grote aanhang. Presidentskandidaat Le Pen staat derde in de peilingen.

Drie jaar geleden gaf vrijwel niemand nog een centime voor het politieke lot van Jean-Marie Le Pen. Hij had zich, na een daverend conflict over de koers van het Front National, net ontdaan van zijn gedoodverfde opvolger, Bruno Mégret. En de uittocht van partijkader die daarop volgde, leek zijn eigen politieke ondergang in te luiden.

Niet dus. De inmiddels 73-jarige Le Pen is bezig aan een opmerkelijke comeback. In de peilingen voor de presidentsverkiezingen bezet hij stevig de derde plaats, achter de neogaullist Jacques Chirac en de socialist Lionel Jospin. Hardop droomt hij zelfs van een plek bij de eerste twee, die hem zou verzekeren van deelname aan de beslissende tweede ronde.

Extreem-rechts kent in Frankrijk een lange en taaie traditie, maar Le Pen moest het opnieuw uitvinden om er weer een politieke factor van betekenis van te maken. In 1972 richtte hij het Front National op in een poging verschillende stromingen (neofascisten, ultraconservatieven, paganisten, poujadisten) te verenigen. Sindsdien bepaalt hij zelf beeld en geluid: grof, brutaal en bekrompen. `Eén miljoen werklozen, dat is één miljoen immigranten te veel', was een van zijn favoriete slogans eind jaren zeventig.

Enkele jaren later brak de partij echt door: bijna 11 procent bij Europese verkiezingen in 1984. ,,Een taboe is doorbroken'', oordeelde Le Monde. Daarna scoorde het FN zelden minder, of Le Pen nu koketteerde met Saddam of Miloševic, en of hij nu werd veroordeeld wegens verbale excessen, danwel hufterig gedrag. ,,Le Pen heeft een talent om het antipolitieke sentiment te politiseren'', aldus FN-expert en directeur van het Studiecentrum voor de Franse politiek (Cevipof) Pascal Perrineau, onlangs in dagblad Les Echos.

Net als het boegbeeld zijn ook de thema's al dertig jaar dezelfde: anti-immigratie (inclusief joden en vrijmetselaars), anti-Amerika, anti-Europese Unie, anti-euro, antibelastingen, en natuurlijk antilinks. Kortom, antitoutisme (tegen-alles). De laatste jaren kreeg antimondialisering meer nadruk, en na de terreuraanslagen in de Verenigde Staten de ,,islamitische haarden op onze bodem''. ,,Het gevaar staat niet voor onze deur, het is al binnen'', reageerde Bruno Mégret, die na zijn breuk met Le Pen voor zichzelf begon met het Mouvement National Républicain (MNR).

Wat niet hetzelfde is gebleven is het electoraat dat zich tot extreem-rechts voelt aangetrokken. Waren het van oudsher vooral ambachtslieden en kleine zelfstandigen die hun stem gaven aan uiterst rechts in Frankrijk, de laatste jaren zijn het blijkens verkiezingsonderzoeken steeds vaker jongeren, werknemers en werklozen.

Ook het assortiment waaruit zij kunnen kiezen is verruimd. Geruime tijd maakte het Front National rechts van `fatsoenlijk rechts' min of meer alleen de dienst uit. Maar voor de huidige presidentsverkiezingen hebben zich vier kandidaten gekwalificeerd die daar de kiezersmarkt willen afgrazen. Samen zouden ze de koplopers Chirac en Jospin serieus kunnen bedreigen, maar onderlinge verdeeldheid en animositeit staan zo'n monsterverbond in de weg.

Gemeten naar formele machtsposities is het resultaat van rechtsbuiten bescheiden. Kleinere partijen maken door het Franse kiessysteem (districtenstelsel in twee ronden) niet zo veel kans op een zetel in het nationale parlement. Van de 577 zetels in de Assemblée Nationale bezet extreem-rechts er 24. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart vorig jaar was er verlies, onder andere doordat de gevestigde partijen hun programma's hadden herschreven over `immigratie' en `veiligheid', onderwerpen waarop extreem-rechts het goed doet. Bovendien kampten de ultra's met een tekort aan kandidaten. In 1995 deden ze mee in 456 gemeenten met meer dan vijfduizend inwoners, vorig jaar nog in 300.

Programmatisch ontloopt het extreem-rechtse kwartet dat een gooi doet naar het presidentschap elkaar niet veel. Christine Boutin van de kleinste factie (Union pour la Démocratie Française) tamboereert vooral op vermeend zedelijk verval en politieke slapheid om daar tegen op te treden. Jean Saint-Josse, leider van de CPNT (Chasse, Pêche, Nature, Traditions), heeft eigenlijk maar één issue: tegen elke Europese bemoeienis met de jacht in het algemeen, en tegen elke inperking van de Franse jacht en het Franse jachtseizoen in het bijzonder. Bij de laatste Europese verkiezingen, in 1999, bleek hij een geduchte concurrent voor Le Pen en Mégret, die toen middenin hun boedelscheiding zaten.

Na dit schisma is de grondige hekel die Le Pen en Mégret aan elkaar hadden gekregen alleen maar toegenomen. De FN-voorman laat geen gelegenheid voorbijgaan zijn voormalige kroonprins zonder spoor van bewijs af te schilderen als een geheime huurling van Chirac (,,Hij wordt door Chirac betaald, dat is toch evident''). Op zijn beurt beschouwt MNR-leider Mégret zijn vroegere leermeester als een politieke onbenul van de bovenste plank, omdat die ,,voortdurend bananenschillen op het pad van Chirac gooit'' en aldus de kans verprutst op een meerderheid voor traditioneel plus extreem-rechts, zoals in Oostenrijk, Italië en Portugal.

Le Pen, in de peilingen beduidend vóór op Mégret, moet evenwel niets hebben van samenwerking met gematigd-rechts, zeker niet zolang Chirac daar zit. Hij noemt de president ,,erger dan Jospin'', omdat Chirac zo onvoorzichtig is geweest in 1997 vervroegde parlementsverkiezingen uit te schrijven die Jospin het premierschap opleverden. Bovendien beschouwt hij Chirac als de architect van een cordon sanitaire van centrum-rechts en centrum-links rondom zijn Front National. Tegenover dit veronderstelde complot afficheert Le Pen zich met graagte als het enige echte alternatief voor het regerende duo Chirac/Jospin. ,,Er is nog maar één verrassing mogelijk, en die ben ik.''