DINO-EIEREN GETUIGEN VAN EEN LANGZAAM STERVEN NA INSLAG

De dinosauriërs stierven niet direct uit nadat een groot hemellichaam ongeveer 65 miljoen jaar geleden de aarde had getroffen. Wel leidde de inslag tot een milieuramp met wereldwijde effecten, die mogelijk op termijn hebben bijgedragen aan het uitsterven van deze diergroep. Dat blijkt uit onderzoek door Chinese en Japanse onderzoekers van de eieren die diverse soorten dinosauriërs na de grote inslag legden. Hun opzienbarende conclusies zullen binnenkort worden gepubliceerd in het tijdschrift Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology.

De onderzochte eieren zijn afkomstig uit twee vindplaatsen in de provincie Guangdong (zuidelijk China). De aardlagen waarin ze werden aangetroffen zijn goed met pollen (stuifmeelkorrels) gedateerd en omspannen een periode van voor de grens tussen Krijt en Tertiair (K/T-grens) en een lange tijd erna. Welke dinosauriërsoorten de eieren legden, is niet bekend, maar het gaat in de ene vindplaats om elf soorten, in de andere om twaalf. Van die soorten stierven er zes, resp. zeven relatief zeldzame soorten uit op de K/T-grens. De overige vijf soorten overleefden de inslag en stierven later uit, de een na de ander; voor de langst doorlevende soort was dat ongeveer 250.000 jaar na de inslag. Deze bevinding maakt een definitief einde aan de suggestie dat alle dinosauriërs wereldwijd bij (of zeer kort na) de inslag zijn uitgestorven. Dat betekent ook dat de achterliggende oorzaak een andere moet zijn dan tot nu toe werd aangenomen. De onderzoekers geven een nieuwe verklaring voor het uitsterven, op basis van hun onderzoek aan de eieren.

Het blijkt dat de eierschalen uit niveaus van omstreeks de K/T-grens een 19-28 maal zo hoge concentratie aan het metaal iridium (afkomstig van het ingeslagen hemellichaam) bevatten als het `achtergrondniveau' (de dieren moeten het iridium via de voedselketen hebben binnengekregen). Opvallend is echter dat die verhoogde concentratie niet eenmalig (op de K/T-grens) is, maar dat er minstens zes perioden waren, van duidelijk voor de grens tot duidelijk erna. Dat zou op een serie opeenvolgende inslagen kunnen wijzen.

Ook lood en diverse andere elementen komen in hoge concentraties in de eierschalen voor, terwijl andere elementen juist veel minder voorkomen. Deze afwijkende samenstelling gaat gepaard met andere afwijkingen, onder meer in de dikte en structuur van de eierschalen. De onderzoekers vergelijken deze afwijkingen met die in vogeleieren en concluderen dat er sprake moet zijn geweest van een milieu waarin de dinosauriërs op verschillende momenten door de chemisch gewijzigde omstandigheden (geochemische stress) steeds meer eieren legden die niet meer uitkwamen of waaruit geen levensvatbare jongen te voorschijn kwamen.