De eeuwige neiging tot verdeeldheid

De Franse president is, zeker naar westerse maatstaven, oppermachtig. Een verkorting van zijn mandaat moet daar verandering in brengen.

Jacques Chirac leefde in mei 1995 in het prettige vooruitzicht de komende zeven jaar Frankrijk naar zijn hand te kunnen zetten. Hij had zojuist bij de presidentsverkiezingen een ruim mandaat (52,6 procent) van de kiezers gekregen en hij wist zich verzekerd van stevige parlementaire ruggensteun. Chirac was volgens velen een van de machtigste presidenten die Frankrijk ooit heeft gehad.

Twee jaar later maakte hij de grootste misrekening van de naoorlogse Franse politiek. In de veronderstelling dat rechts een eenvoudige zege zou behalen om zo de rest van zijn zevenjarige ambtstermijn met overmacht te kunnen regeren, schreef hij in 1997 vervroegde parlementsverkiezingen uit. Het liep uit op een catastrofe. De socialistische oppositieleider Lionel Jospin, nota bene zijn opponent bij de laatste presidentsverkiezingen, won glansrijk en werd de eerste linkse premier onder een rechtse president. Rechts probeerde in de oppositie de scherven te lijmen en de resterende vijf jaar van zijn presidentschap heeft Chirac vleugellam in het Élysée gezeten.

Het Franse presidentschap was eigenlijk een maatpak voor Charles de Gaulle. Alle presidenten na hem zat het te ruim of juist te krap. Er zit dan ook volgens critici een ernstige weeffout in de Franse constitutie, die is ontstaan doordat politici na de Tweede Wereldoorlog niet konden kiezen tussen een parlementair en een presidentieel stelsel.

Of eigenlijk wílden ze niet kiezen. Iedereen zag de noodzaak om de politieke cultuur te veranderen. De tachtig jaar oude Derde Republiek zat opgescheept met kissebissende politici. Die verschilden weliswaar niet heel erg van mening, maar daarin zagen ze nooit een aanleiding om elkaars beleid te steunen. Regeringen konden struikelen over ieder lastig besluit.

In juni 1946 waarschuwde Charles de Gaulle voor ,,de eeuwige Gallische neiging tot verdeeldheid en ruzie''. Maar de politici luisterden niet en stichtten een Vierde Republiek die sterk leek op de Derde. Voor De Gaulle was dat een reden om de politiek de rug toe te keren, in de veronderstelling dat het land snel zou smeken om zijn terugkeer. Pas twaalf jaar en zeventien premiers later, in 1958, toen de crisis in Algerije de politici boven het hoofd groeide, begon de ware zegetocht van De Gaulle.

De generaal liet een vertrouweling, Michel Debré, een nieuwe grondwet maken. Daarin werd de president degene die continuïteit in het bestuur en onafhankelijkheid van Frankrijk garandeerde, en die als scheidsrechter boven de partijen stond. Debré liet de president nog kiezen door de parlementariërs. Een keuze door het volk vond hij te riskant vanwege de toen nog machtige communisten. Maar De Gaulle bracht daar snel verandering in. Hij wenste een mandaat van het volk en kreeg zijn zin door in een referendum over de kwestie het parlement te omzeilen – een truc die hij daarna wel vaker toepaste.

Zo kreeg Frankrijk van alle westerse democratieën de machtigste president. Hij is geen verantwoording verschuldigd aan het parlement – dat is alleen de premier. Hij kan het parlement ontbinden en de regering naar huis sturen. En hij heeft met defensie en buitenlands beleid zijn domaine réservé, zijn eigen knutselhoek. En dat alles voor de duur van maar liefst zeven jaar.

Critici zeggen dat De Gaulle van Frankrijks Vijfde Republiek een Monarchie républicaine heeft gemaakt, een republikeinse monarchie, of – in de woorden van historicus Jaques Georgel – un démonarchie. François Mitterrand beschuldigde De Gaulle zelfs van een `permanente staatsgreep'.

Mitterrand deed die uitspraak in 1964. Toen hij zelf in 1981 de presidentsverkiezingen won van Valéry Giscard d'Estaing liet hij onmiddellijk weten ,,alle macht die de constitutie mij biedt optimaal te zullen benutten''.

En zo is het altijd gegaan. Presidentskandidaten pleiten voor een inperking van presidentiële macht, zolang ze kandidaat zijn. Eenmaal president reppen ze er met geen woord meer over. In verkiezingscampagnes viel in het verleden regelmatig het woord quinquennat, een vijfjarig presidentschap. Maar geen president die daar vervolgens werk van maakte.

Dat de president nu voor het eerst toch voor maar vijf jaar wordt gekozen, is dan ook niet de verdienste van president Chirac, maar van premier Jospin. Hij zette het quinquennat op de agenda en Chirac schaarde zich er pas achter toen hij inzag dat een grote meerderheid van de bevolking er voorstander van was. Chirac zei er wel steeds bij dat het slechts om een kleine ingreep gaat, één woordje in de grondwet. Waar eerst `zeven' stond, staat nu `vijf'; dat is alles.

Het valt te bezien. Volgens commentatoren maakt de verkorting van het mandaat van het presidentschap een `gewonere' functie. Maar in hun doorwrochte staatsrechtelijke beschouwingen kunnen ze niet goed duidelijk maken waarom. Nog steeds is de president een staatsleider die een regeringsleider naast zich moet dulden, maar die wel meer wil doen dan inaugurer les chrysanthèmes, zoals De Gaulle de president als kransenlegger denigrerend noemde.

De weeffout in de constitutie zal nog wel een tijdje voortbestaan. Dus rest de kiezer niets anders dan de macht van de president waar nodig in te tomen met een parlement van een tegengestelde kleur. Waarbij president en premier tot elkaar veroordeeld zijn in een cohabitation, de Franse variant op het poldermodel.

Hoe graag de kiezers dat willen zal op 9 en 16 juni blijken als ze, ruim een maand na de presidentsverkiezingen (van morgen en 5 mei), een nieuw parlement mogen kiezen. Doen ze dat niet, dan heeft Frankrijk de komende vijf jaar een machtige president naar Amerikaans model, met een premier als boodschappenjongen. Kiezen ze in juni voor een cohabitation, dan is dat een pleidooi voor een Zesde Republiek, waarin het conflict tussen president en premier, tussen staatshoofd en regeringsleider, eindelijk is opgeheven.