Afscheid van Wim Kok

De Franse socialist Jean Jaurès observeerde lang geleden: ,,Een socialistische minister lijkt meer op een minister van een burgerlijke partij dan op een socialist in de oppositie.'' Wim Kok beantwoordde aan die regel; het was onderdeel van zijn keuze in 1989 om als minister in niets op zijn voorganger Den Uyl te lijken. Kok is daar ook altijd eerlijk en consequent in geweest. Geen lange citaten uit 's nachts haastig gelezen boeken, geen solidariteit met de Castro's van deze wereld, en een haast lichamelijke afkeer van de overgeërfde Jan Pronk. Voor extra duidelijkheid over zijn strategie hield Kok in acht jaar premierschap precies één memorabele lezing over idealen in de politiek en die gebruikte hij om het socialisme definitief bij te zetten in het mausoleum.

Na de verschrikkelijke experimenten van de vorige eeuw, is duidelijk dat een vrije economie meer welvaart biedt dan elk ander systeem. Kok is dan ook nooit weggedroomd op de Derde Weg van Blair en Schröder, maar vermeed gelukkig eveneens – lijkt me – de twee fouten van marktaanbidders: er is niets organisch of natuurlijks aan de `markt', en de gemeenschap heeft alle recht om grenzen te trekken en fair play te definiëren. Ideologie kunnen we beperken tot `vrijheid' als hoge waarde, en zelfs die is niet absoluut. Evenmin geloofde Kok dat de fluwelen revolutie van 1989 het eind van de geschiedenis betekende. Met recht heeft Kok de PvdA (en D66) juist opgevoed om het thema `markt' per onderwerp met een koel oog te beoordelen op mogelijke efficiency. Koks herhaalde uitval tegen de extreme beloning van managers was ook niet bedoeld om met jaloeziegevoelens stemmen te winnen voor de PvdA. Kok had een andere emotie, lijkt me: zelf altijd sober in huis en hobby's herkende hij onder de optie-multimiljonairs oud-VNO-voorzitter Rinooy Kan, die in 1994 nog voorop liep met pleidooien voor `loonmatiging, loonmatiging, driewerf loonmatiging'.

De grote economische verdienste van Wim Kok is dus dat hij de PvdA de juiste les heeft laten leren van de val van het communisme in 1989. Meer of minder `markt' is geen ideologische maar een praktische vraag. Het voorbeeld van Zweden laat zien wat gebeurt als sociaal-democraten die niet oppikken. Daar hielden de opvolgers van Olof Palme, in reactie op de Zweedse Lubbers en Ruding, krampachtig vast aan de onmogelijke belofte om alle bezuinigingen terug te draaien. Resultaat: een economie die sneller is afgezakt dan overal elders in Europa (vóór Den Uyl en Palme tien procent rijker dan Nederland; nu tien procent armer). Het lot van Zweden is ons bespaard gebleven, en dat is de enorme verdienste van Kok. Met oud-premier Felipe Gonzalez in Spanje was hij de economisch succesvolste leider van een linkse partij in Europa.

Kok was als FNV-voorman ook al de tijd vooruit. Door economisch wanbeleid onder Den Uyl en (nog erger) Van Agt-Wiegel was in Nederland de industrie gedecimeerd. Letterlijk honderdduizenden middelbare en oudere werknemers waren bang voor hun toekomst. Kok heeft in 1982 (samen met CDA'er Jan de Koning) gewerkt aan politieke ruimte voor de besparingen van Lubbers en Ruding. Veel beter dan Den Uyl (toen oppositieleider van de PvdA) begreep Kok dat Nederland goedkoper moest worden en dat de tijd voor Keynesiaanse drogredenaties voorbij was. Zijn eis: royale regelingen voor de VUT en een makkelijke uitgang naar de WAO, beide ontworpen voor de kwetsbare, oudere werknemers, vooral in de industrie. Die prijs was hoog, en laat zich vanuit het comfort van de studeerkamer of De Nederlandsche Bank goed kritiseren. Een politicus echter moet niet alleen analyseren wat het beste is, maar ook nog een meerderheid zien te bereiken. We kunnen in het buitenland de schade zien, wanneer zo'n nieuwe consensus over `sterk en sociaal' niet totstandkomt. In Frankrijk en Duitsland zoeken de sociaal-democraten twintig jaar na ons Wassenaar-akkoord van 1982 nog steeds naar een nieuwe retoriek over markt en overheid – merk op hoeveel gedateerder de Franse en Duitse werknemers klinken in vergelijking met onze vrolijke, praktische Johan Stekelenburg en Lodewijk de Waal. Vooral de laatste jaren hebben sociaal-democratische regeringen in Frankrijk en Duitsland zwak geregeerd op economisch gebied: voor het eerst sinds de oorlog zijn de investeringen van het bedrijfsleven in Frankrijk en Duitsland lager dan in de Verenigde Staten. In de twee grootste eurolanden is de investeringsgolf van de jaren negentig niet voldoende doorgedrongen; in Nederland wordt wél elk jaar in totaal nog meer geïnvesteerd dan in de VS, ook na acht jaar met een sociaal-democratische premier.

Op deze plaats heb ik de drie regeringen met Wim Kok vaak en veel gekritiseerd. Voor zijn grote strategische beslissing past echter alleen maar applaus. Tussen 1989 en 1994 heeft hij als minister van Financiën veel harder bespaard bij de overheid dan gemiddeld in Europa, en zo de schade van Lubbers-II meer dan hersteld (ik hoop dat Lubbers nog eens in memoires uitlegt waarom hij Ruding tussen 1986 en 1989 niet steunde, en Kok van 1989 tot 1994 wél). Als premier heeft hij eerst zijn eigen twijfels overwonnen over samengaan met de marktideoloog Bolkestein en daarna precies het goede antwoord gevonden: niet een linkse ideologie om Bolkestein te neutraliseren, maar een saaie nadruk op voorzichtige, werkbare oplossingen.

In de PvdA-fractie hebben woordvoerders als Saskia Noorman (sociale zekerheid) en Mariëtte Hamer (hoger onderwijs) nog weinig geleerd van de vergissingen van Den Uyl en zijn generatie. Wim Kok kon dat wel, en onderscheidde zich daarmee als staatsman gunstig van sociaal-democratische premiers in Duitsland, Frankrijk en Zweden. Wat Neil Kinnock in Engeland niet lukte, kreeg Kok in dezelfde periode wél voor elkaar: een grote politieke beweging op economisch gebied voorbereiden op de vrije wereld van de nieuwe eeuw.