Weten is meer dan alleen meten

De historicus Kees Ribbens heeft het aangedurfd om in kaart te brengen hoe de gemiddelde Nederlander in aanraking komt en omgaat met het verleden. Na een verkenning van de literatuur en uitwerking van enkele deelstudies komt hij tot de slotsom dat de vorm en inhoud van de historische belangstelling in de loop der jaren weliswaar veranderd zijn en dat de omgang met het verleden vrijblijvender is geworden, maar dat de `alledaagse historische cultuur' niettemin springlevend is.

Om tot deze opbeurende conclusie te komen heeft de auteur zijn vleugels breed uitgeslagen. Ribbens heeft zijn blikveld niet verengd tot alleen maar de positie en inhoud van het zo vaak bekritiseerde schoolvak geschiedenis. Er wordt weliswaar aandacht besteed aan het onderwijs als een van de deelgebieden van de `officiële' historische cultuur – in dit verband krijgen ook de (historische) musea en de monumentenzorg aandacht – maar dat is niet meer dan een opstapje. De behandeling van deze onderwerpen geschiedt bijna plichtmatig. De reden is dat de auteur de aandacht voor en het belang dat aan deze drie deelgebieden toegekend wordt, overtrokken vindt. Ribbens hecht dan ook meer waarde aan de `onofficiële' historische cultuur: aan geschiedenis als vrijetijdsbesteding.

Belangstelling voor het verleden komt bij de meeste Nederlanders vooral tot uiting in hun vrije tijd: van het lezen van een geschiedenisboek of het bezoeken van een historische attractie tot het verrichten van een, doorgaans lokaal, historisch onderzoek. Door zowel een sterke toename van de vrije tijd (de 24 uur vrije tijd per week in 1955 zijn in veertig jaar verdubbeld) en een forse stijging van de reële koopkracht, is een actieve of passieve omgang met het verleden bij een steeds grotere groep tot de mogelijkheden gaan behoren.

Zo verzamelde Ribbens veel kwantitatieve gegevens waaruit blijkt dat momenteel het aandeel van geschiedenisboeken in de totale titelproductie ongeveer zes procent omvat, dat er jaarlijks ongeveer 2 miljoen geschiedenisboeken verkocht worden, dat naar schatting anderhalf miljoen volwassen Nederlanders zich bezig houden met het aanleggen van een `verzameling', dat 300.000 Nederlanders lid zijn van een vereniging voor regionale of lokale geschiedenis of van een oudheidkundig genootschap en dat jaarlijks ongeveer een half miljoen bezoeken aan archieven van overheidsinstellingen worden gebracht.

Nostalgisch

In het verzamelen en in het beschrijven van deze ontwikkelingen, schuilt de grote kracht van dit boek. Aan een analyse en verklaring van de gevonden resultaten komt Ribbens nauwelijks toe. Dat de lezer bij de verklaring van de toename van de belangstelling voor het verleden het moet doen met `een nostalgisch verlangen, mogelijkerwijs geïnspireerd door het zoeken naar houvast' is wel erg obligaat.

Eenzelfde bedenking heb ik tegen de drie casestudies die Ribbens heeft verricht. De keuze van de onderwerpen staat niet ter discussie: daar is niks mis mee. Een nadere bestudering van het historisch toerisme, van de wijze waarop historische gebeurtenissen herdacht worden en van de verbeelding van het verleden op de televisie kan inderdaad veel bijdragen aan het antwoord op de vraag hoe het in de periode 1945-2000 met het historisch besef in Nederland gesteld is. Minutieus is beschreven met welk doel en op welke wijze in de reisgidsen van de ANWB en in De Kampioen aandacht aan het verleden werd besteed, hoe in Zwolle historische personen en gebeurtenissen feestelijk herdacht werden en hoe in programma's van de KRO het verleden verbeeld werd.

Desondanks is Een eigentijds verleden een teleurstellend boek geworden. Aan de uitgangspunten lag het niet. Aan de keuze van de onderwerpen die onderzocht werden evenmin. Ik denk dat – achteraf bezien – de gekozen invalshoek niet geschikt was om greep op de materie te krijgen. Het principe `meten is weten' kan – mits ingepast in een theoretisch analysekader – helderheid scheppen, maar in dit geval trof het geen doel.

Clio

Voor zijn theoretisch referentiekader heeft Ribbens voornamelijk gegraasd in de tuin van Clio en is hij voor de broodnodige cijfers te rade gegaan bij instellingen als het CBS en SCP. Kennisname van de inzichten die momenteel in de etnologie gemeengoed zijn, had het onderzoek een extra dimensie kunnen geven. Het omvangrijke en belangwekkende werk van geen enkele van de acht auteurs die aan de in 2000 verschenen bundel Volkscultuur meewerkten, is door Ribbens geraadpleegd. Ook een bundel als Constructie van het eigene uit 1996 is aan zijn aandacht ontsnapt, terwijl alleen al de titel hem in verklarende zin een eind op weg had kunnen helpen.

Dat Ribbens verzuimd heeft een boek te maken waar historici, cultuurwetenschappers, museologen en andere erfgoedbeheerders, maar ook beleidsmakers en politici de komende tijd niet omheen kunnen, is jammer. Wellicht is hem dit ook niet geheel euvel te duiden. Het excuus is al in de eerste zin van het `woord vooraf' te lezen: `Begin 1996 kreeg ik als assistent in opleiding de gelegenheid om mij op basis van een reeds bestaand, beknopt onderzoeksvoorstel te verdiepen in wat toen nog als ,,alledaags historisch besef' werd aangeduid.' Een eigentijds verleden illustreert dat zonder empathie en zonder de wérkelijke wil tot weten en academisch doorgronden, het uitvoeren van een door anderen opzet historisch onderzoeksplan een doodlopende weg is.

Kees Ribbens: Een eigentijds verleden. Alledaagse historische cultuur in Nederland, 1945-2000. Verloren, 382 blz. E31,–