Wasknijpers roffelen op de zwangere buik

Het zingen van het ijs is zijn vierde bundel, maar van een poëtische reputatie is nauwelijks sprake. In de Amsterdamse universiteitsbibliotheek leidt de naam Hans Kloos slechts naar de publicatie van een naamgenoot uit 1930, en zijn debuutbundel Legioen (1986) is ook in antiquariaten onvindbaar. Toch herinner ik mij zijn derde bundel, De hand boven het hoofd, acht jaar geleden met plezier gelezen te hebben. Maar in de gangbare media werd dit genoegen door weinig recensies gestaafd. In een lang artikel in De Gids van maart/april 1999 weet Marc Kregting de geringe bekendheid van Hans Kloos aan de kritische overmacht van babyboomers als Herman de Coninck en T. van Deel. `Jongeren', aldus Kregting, `krijgen amper nog een kans, en voorzover ze ergens mogen aanzitten stromen ze niet door. Tenzij ik poep in mijn ogen heb, ontwaar ik een algehele constipatie.'

De verongelijkte ondertoon is typisch `Kregting', maar na lezing van Kloos' nieuwe bundel kan ik zijn verbazing over diens marginale positie in de poëzie wel delen. Het zingen van het ijs is, met negentien gedichten, een bescheiden bundel en de taal lijkt navenant eenvoudig. Bij aandachtige lezing toont Kloos' simpele parlando echter diepere lagen. Overrompelend soms, zoals in de driedelige cyclus `Soelaas'. Het eerste vers daarvan beschrijft hoe twee oude vrouwen op tweehoog, lui tegen elkaar aanleunend, dansen `op klanken die hun geheugen afspeelt'. Aan de overkant van de binnentuin ziet een buurman de muziek in hun lijven, let even niet op zijn mandje met wasknijpers, en daar gaan die knijpers in `een houten roffel/ op de blote zwangere buik/ van de benedenbuurvrouw'. Het tweede vers lijkt niets met dit simpele balkonbeeld te maken te hebben. Kloos verplaatst zijn camera naar de voorkant van de huizen:

Tegenover de videotheek

staat tussen de parkeerplaatsen op de brink

een rode beuk

die bijna even hoog reikt

als de duizend jaar oude kerk

waar morgen een jonge bariton

de cantate BWV 56 zal zingen.

Onttrokken aan het blikkerend middaglicht

staat in de schaduw van de bladeren

een lange man

met zijn armen om de stam

en het geklepper van de eksters

wordt steeds dunner onder het raspen

van zijn stem.

De koster ziet in hem een zielsverwant

van een prinses die met bomen spreekt,

de meisjes voor de ijssalon lachen

om die gek die altijd lazarus is

en de eksters bouwen een nest

boven zijn hoofd –

zij hebben gezien

hoe uit de oranje lus van sisal

waar zij draadjes uit plukten

een stille brandweerman

het hoofd van zijn zoon losmaakte

Het dramatisch effect wordt versterkt doordat het laatste couplet op de volgende pagina staat. Maar verrassender nog blijkt dan, in het derde vers, de kern van het drama: bijna veertig regels lang zijn we meegenomen in de creatieve maalstroom van een scenarioschrijfster. Op de fiets met haar dochter achterop, onderweg naar de crèche, beseft ze dat ze zal moeten kiezen tussen de dans van de vrouwen en de stem van de lange man. En ook zij blijkt ten slotte slachtoffer van haar eigen verbeelding, want `in haar slapen steekt de angst/ voor het zwerven van de lange armen/ van de brandweerman'.

Zo hecht als in `Soelaas' is het procédé niet altijd, maar ook elders rijgen de associaties zich quasi terloops aaneen. In `Weg weg' betreft het twee pagina's lang de choreografie van het lopen, en verspreid over de bundel komt tweemaal het thema `Schoenen' aan bod. Het eerste paar past `als lippen om een tepel' om de voeten, ook al zijn het de schoenen van een dode. In het tweede vers daarentegen zijn de schoenen te groot. De ik beperkt zich tot poetsen en denkt daarbij `aan de voeten die erin horen/ als darmen in een buik'. Deze schoenen zullen hun voeten dan ook niet meer dragen, `maar omhelzen als zij het vuur ingaan.'

Kloos formuleert zijn regels nogal droog, maar zijn toon is liefdevol en zijn beeldspraak levendig en authentiek. Dit geldt ook voor de prozagedichten, al laat het drieluik dat met `De kolossos van de Noordzee' inzet zich lastiger openbreken dan de rest van de bundel. Raadselachtig is ook de confettiregen die tussen de gedichten door over de paginaranden heen loopt. `Het schandaal van honing in de harde regen' meldt die confetti bijvoorbeeld, of met een knipoog naar Mae West: `is dat een gedicht/ in je beha/ of ben je gewoon blij/ dat je me ziet?'

Net zoals De hand boven het hoofd is deze bundel toepasselijk vormgegeven door Melle Hammer, ditmaal in samenwerking met H. Rystadius. Ook door die vormgeving verdient Het zingen van het ijs alle aandacht.

Hans Kloos: Het zingen van het ijs. Contact, 44 blz. E15,–