Visioen achter prikkeldraad

De stad Brasilia is een visioen, waar schoonheid het aflegt tegen onrecht. Dit is het veertiende deel van de reeks `Vergezichten' waarin Anna Tilroe op zoek gaat naar kunstoverschrijdende experimenten.

Op 21 april 1960 werd Brasilia door de toenmalige president van Brazilië, Juscelino Kubitschek, voltooid verklaard. Na drie jaar en een maand slavenarbeid van tienduizenden uit alle delen van het land aangesleepte, straatarme boeren, arbeiders en werkelozen, was de stad geboren die Brazilië van een nieuw, centraal gelegen regeringscentrum voorzag. En de wereld van een droom. Brasilia zou, volgens voorspellingen, uitgroeien tot `de belangrijkste stad van het 3de millenium', en de triomf worden van het modernistische geloof in vooruitgang en de maakbaarheid van de wereld. Nu, 42 jaar later, staat Brasilia op de werelderfgoedlijst van de UNESCO. Als monument voor een failliete moderniteit, zeggen sommigen. Voor de megalomanie van de macht en de architectuur, zeggen anderen. Wie Brasilia ziet, geeft hen gelijk. En toch is de stad ook zoals de priester Don Bosco haar in de 19de eeuw al voor zich zag: een visioen van ruimte, licht en grandeur.

Het visioen is er ineens. Je ziet het middenin een eindeloze woestijn van oranje-rode stof en ruwe bosschage plotseling op de grond getekend.

In dunne lijnen, als een schets van een rog-vormig ruimteschip, met een lange, harde graat in het midden. Het idee was in hem opgekomen alsof het er altijd was geweest, zei stedebouwkundige Lucío Costa toen hij zijn snel getekende Plano Piloto of meesterplan aan de president aanbood. En ook Oscar Niemeyer en Roberto Burle Marx, de architect en landschapsarchitect waarmee Costa nauw samenwerkte, spraken in mythologiserende termen over het ontstaan en de bouw van de stad. Brasilia, was de impliciete boodschap, lag al helemaal klaar in het collectieve onderbewuste. Ze had alleen nog maar een paar wakkere geesten nodig gehad om het licht te kunnen zien.

Misschien is dat ook wel zo. Wanneer je, vanaf de schotelvormige luchthaven via blokvormige woonwijken naar de rechte rug van de stad bent gereden, de Esplanada of Monumentale As genoemd, overvalt je een euforisch gevoel van déjà-vu: hieraan moeten de Azteken hebben gedacht toen ze hun tempelcomplexen bouwden. Aan dit samenspel van een immens blauwe, met witte wolken doorschoten lucht en een kilometers lang, groen geblokt tapijt van gras en rechte wegen, omzoomd en gemarkeerd door witte, geometrische gebouwen. Net als bij hen botsen hier het vormloze en de chaos op het ordenende principe en de wil van de mens, en voegen zich daarnaar. Zij het uiteindelijk altijd anders dan was voorzien.

De overweldigende schaal van dit lucht- en landspektakel geeft aan de As een onaardse allure. Dat wordt nog versterkt doordat de witte gebouwen, dankzij pilaren, zuilengalerijen of andere geraffineerde constructies, iets boven de grond lijken te zweven. Alsof ze geland zijn, in plaats van gebouwd. Het complex voor het Nationale Congres maakt de science fiction-film af. Het bestaat uit twee hoge, naar elkaar toegekeerde blokken en een liggende glazen `doos' met twee koepels, de ene concaaf, de andere convex. In de kom vergadert de volksvertegenwoordiging. Onder de helm komt de Senaat bijeen.

Kubitschek, een van de weinige gekozen presidenten van Brazilië, wilde een stad die naast de moderne tijd ook de democratie zou symboliseren. Daarom strekt het majesteitelijke grastapijt zich uit van het Congrescomplex tot aan de televisietoren, als de onderlijning van een wederzijds verbond. Alleen is de afstand tussen de twee zo groot dat een mens te voet uren onderweg zou zijn. De stad is trouwens helemaal niet op de menselijke maat afgesteld. Waar je ook staat, overal word je een poppetje op een reuzenmaquette.

Toch werkt dat niet kleinerend. In tegendeel, bij dit panorama van ruimte, helderheid en beheersing valt het fysieke gevoel van kleinheid weg tegen een mentaal gevoel van grootsheid. Alles hier is licht, en bevrijd van druk en zwaarte. Zelfs de christelijke godheid kan zich daaraan niet onttrekken. De kathedraal die Niemeyer heeft gemaakt is een omgekeerd boeket van witte, boemerangvormige ribben. Ze omkragen een tot de grond reikende koepel van wit, blauw en zeegroen glas. Binnenin, scherp afstekend tegen de baai van koel, helder licht, hangen menselijke figuren met vleugels. Ze zweven ver boven de dode god aan het kruis.

Brasilia moest het voorbeeld voor de wereld worden. De rigoureuze planning van de stad en haar gestroomlijnde schoonheid zou een nieuwe sociale orde en dynamiek brengen en de samenleving definitief veranderen. Daar waren de drie scheppers van de stad van overtuigd. Hun concept weerspiegelt bovendien hoe ze zich de bijbehorende Nieuwe Mens voorstelden: snel, ordelijk en efficiënt.

In de praktijk betekent dit dat de afstanden in Brasilia zo groot zijn dat je je uitsluitend per auto verplaatst (er zijn geen fietspaden of trottoirs) en dat alle stedelijke functies zijn opgedeeld in secties. De sectie `Hotels' bijvoorbeeld bevindt zich dicht bij de Monumentale As met de `Regeringsgebouwen', evenals `Kantoren'. Voor `Restaurants' en `Winkelcentra' moet je natuurlijk meer bij `Wonen' zijn. En omdat het stratenstelsel gebaseerd is op windstreken en nummers is de bakker op 304 Zuid makkelijk te vinden.

Wonen doe je op de Residentiële As, de horizontale streep die met de Monumentale As een kruis vormt. Hier staan de 64 `superblokken' die naast het machtscentrum de leefwereld van de stad moesten vormen. Het zijn clusters van hoge, rechthoekige blokkendozen die telkens een 240 bij 240 meter grote buurt vormen, met winkels, scholen en groenvoorzieningen voor ongeveer drieduizend mensen. Brasiliensen, zo hoorde ik van verschillende kanten, vinden het aangenaam om daar te wonen. Wel protesteren ze steeds luider tegen het verbod om van de superblokken afgesloten en beveiligde wooncomplexen te maken. Dat verbod berust op het idee dat de openbare ruimte van Brasilia een symbool is van de democratie.

Het visioen behoeft dus prikkeldraad, en dertig kilometer verderop zie je hoe dat komt. Daar leeft de `Oude Mens', in de gedaante van de tienduizenden arbeiders die de stad hebben gebouwd. Voor hen was binnen het Plano Piloto geen plaats ingeruimd en na de voltooiing van de stad werden ze dan ook gemaand terug te keren naar de arme streken waar ze vandaan kwamen. Hun massale weigering heeft ertoe geleid dat in het kale en hete woestijngebied rondom de stad satellietsteden zijn verrezen waarin tegenwoordig driekwart van de ruim twee miljoen mensen woont die het district Brasilia telt. Het zijn vaak miserabele boomtowns met weinig of geen openbaar vervoer, scholen, gezondheidszorg en andere voorzieningen.

Oscar Niemeyer, 95 jaar, maar nog altijd actief als architect, rechtvaardigde zich vijf jaar geleden tijdens een interview met Tracy Metz in deze krant met de woorden: ,,Als architect kan ik niet alle onrecht in de wereld ongedaan maken. Ik kan er alleen iets tegenover zetten: een ervaring van schoonheid.'' Voor hem, en dat verklaart meteen waarom hij jaren lang met de Braziliaanse militaire junta kon samenwerken, is schoonheid iets wat over de tijd heen het grootste onrecht en de meest verachtelijke regimes overwint.

Is dat zo? Je ziet Lenie Riefenstahl al opveren. In dat geval kan er onder de dekmantel van schoonheid immers een heleboel goed gepraat worden. Maar schoonheid is niet iets wat als absolute waarde volledig op zichzelf staat. Ze staat niet los van de geschiedenis zoals het modernisme beweert. Schoonheid is een idee, en in die zin onderhevig aan wisselende visies en appreciaties. Ze bewijst haar levendigheid door die op te wekken en steeds opnieuw te weerstaan. Misschien is dat de reden waarom mensen aan schoonheid hoop ontlenen.

Brasilia is geen symbool voor hoop op een betere mens en een betere toekomst, zoals Niemeyer voorstond. Een puur esthetische waardering van de stad is niet genoeg. Die waardering is immers alleen maar vol te houden als je de sociale en politieke werkelijkheid uitsluit, zoals in een museum. Of een toeristenfolder. Maar een stad is dan geen levend organisme meer, hooguit nog een monument.

Is dat de reden waarom de weekend-vluchten van Brasilia naar Sao Paulo zo druk bezet zijn? Sao Paulo, die stinkende, overbevolkte en gevaarlijke megastad, lééft. Het is een jungle die ieder totaalplan onmiddellijk overwoekert, maar waar tegelijkertijd alles opnieuw gedacht kan worden. Zo lang het geen toekomstgerichte pretenties heeft. Toekomst bestaat niet in megasteden. Geschiedenis trouwens ook niet. Alleen het heden telt, want daarin overleef je. Het maakt alles vluchtig en fragiel, maar ook kostbaar. Wat je het ene moment nog koestert, kan het volgende moment verdwenen zijn.

Megasteden zijn onze toekomst. Overal op de wereld groeien steden tot kleine landen aaneen. Ze veranderen de relatie tussen publieke ruimte en privé omgeving, tussen overheid en burgers en tussen de mensen onderling. En die veranderingen laten zich nauwelijks sturen of zelfs maar voorspellen. De architectuur van de komende tijd zal dan ook vooral flexibel moeten zijn.

De Italiaans-Braziliaanse architecte Lina Bo Bardi zag dat in de jaren zestig al in. Haar bouwwerken moesten, zoals ze zei, `op het leven ingestelde organismes' zijn. Ze nam daarmee positie in tegenover de monumentale architectuur van generatiegenoot Niemeyer, maar omdat haar biografie (ze stierf in 1992 op hoge leeftijd) nog altijd niet is verschenen, weten we daar niet echt het fijne van. De architect zelf rept in zijn twee jaar geleden verschenen, stuitend zelfingenomen autobiografie, met geen woord over haar.

Dat is opmerkelijk. Want Bo Bardi heeft niet veel gebouwd, maar wel zeer bijzonder. Het door haar ontworpen Museu de Arte de Sao Paulo (of MASP) ontbreekt in geen enkel boek over Braziliaanse architectuur. Het museum staat temidden van de uit kilometers wolkenkrabbers bestaande Avenida Paulista en valt op door zijn afwijkende vorm: geen hoge, fancy toren, maar een langgerekte doos van beton en rood omkaderd glas. Hij staat op poten, zodat je eronder door kunt lopen naar een terras met een schitterend uitzicht over de stad. De ruimte onder het gebouw is net als het terras openbaar en blijkt voor allerlei spontane of georganiseerde bijeenkomsten te worden gebruikt. Zoals een demonstratie tegen verlaging van de pensioenen.

Bo Bardi wilde het ook zo. Haar architectuur keert zich tegen het reduceren van mensen tot een onderdeel van een op produktie en consumptie ingesteld systeem, zoals Brasilia doet. Wat naar haar idee in de chaos en willekeur van een metropool nodig is, zijn plaatsen waar mensen ook om andere dan zuiver functionele redenen bij elkaar komen. Geconcentreerde en tegelijk flexibele plaatsen. Een plaats als Pompéia.

In de weekenden is het op het tientallen meters lange, houten platform dat bij het zwembad van Pompéia ligt, druk als op een zomers strand. Van heinde en ver komen Paulistanen zonnen, zwemmen en sporten in de voormalige olievatenfabriek die door Lina Bo Bardi is omgebouwd tot een vrijetijds- en cultuurcentrum. Ze kunnen er ook lezen, theatervoorstellingen zien, exposities bezoeken en muziek luisteren. En dat doen ze ook. Het complex wordt jaarlijks door tienduizenden mensen bezocht.

De fabriek is door de ingrepen van Bo Bardi een wonder van architectuur geworden. Simpel, maar communicatief, zoals ze het zelf formuleerde. Het bakstenen deel van het complex is vrijwel intact gelaten, maar door eenvoudige ingrepen zijn meer of minder besloten ruimtes ontstaan met ieder een eigen sfeer. Zo is er een enorme huiskamer met een open haard en een riviertje. En een ruimte waar ieder op zijn eigen platformpje tv kan kijken, zittend op door Bo Bardi ontworpen houten meubelen. Sporten doe je in vrolijk geschilderde lokalen in het betonnen deel van het complex. Loopbruggen tussen de verschillende delen bieden een fenomenaal uitzicht over de stad.

Op de gewone dag in de week dat ik er was, speelde in de theaterzaal een samba-orkest voor een paar honderd dansende bejaarden. Ik zag oude vrouwen met dikke voeten schommelen met hun heupen, grijsharige mulatten verzaligd in zichzelf swingen en correct geklede en gepommadeerde heertjes aan de kant hun kansen op de dansvloer inschatten. Het woeste Sao Paulo werd er opeens menselijk door.

,,We moeten het idee van leven veranderen,'' zei Le Corbusier begeesterd, toen hij zag hoe intens de mensen in de schitterend op de heuvels gelegen krottenwijken van Rio met hun omgeving leefden. ,,Het idee van geluk moet helder worden gemaakt.'' Voor Lina Bo Bardi was dat de vanzelfsprekende taak van kunst en architectuur: het visioen van geluk realiseren, hoe kwetsbaar, ijl en kortstondig het ook is.

Brazilië, laboratorium van architectuur en stedenbouw, redactie Paul Meurs en Esther Agricola; NAI-uitgevers. Oscar Niemeyer and the Architecture of Brazil - David Underwood; uitgeverij Rizzoli.