Vernieuwingen hielpen kansarm kind niet

In de jaren negentig werd de ene na de andere onderwijsvernieuwing ingevoerd. Maar de kansarme leerling werd er niet beter van.

Waartoe heeft een decennium vol onderwijsvernieuwingen geleid? In ieder geval niet tot een van de belangrijkste doelen: een verkleining van de kloof tussen kansarme en kansrijke kinderen. Dat constateerde het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) gisteren.

Zelden hebben scholen zoveel opgelegde vernieuwingen voor de kiezen gekregen als in de jaren negentig van de vorige eeuw. Minister Ritzen (PvdA) voerde de basisvorming in voor alle leerlingen in de eerste klassen van het voortgezet onderwijs, voegde mavo en lbo samen tot vmbo en liet verschillende schooltypes fuseren tot grote scholengemeenschappen. En dan was er in 1998 nog de invoering van het Studiehuis voor de bovenbouw van het havo en vwo, waardoor de aandacht meer op vaardigheden dan op kennis kwam te liggen.

Een van de belangrijkste doelen van de basisvorming was het uitstellen van de definitieve studiekeuze. Hierdoor, dacht Ritzen, zouden kansarme kinderen meer mogelijkheden krijgen om naar een hoger onderwijsniveau te klimmen.

Ook de schaalvergroting en de vmbo-vorming zouden in het voordeel van deze groep leerlingen werken. Leerlingen van verschillende niveaus zouden met elkaar in één gebouw rondlopen en van elkaar kunnen leren. Bovendien zou dat goed zijn voor het beroerde imago van het lager beroepsonderwijs.

Wat de gevolgen van deze hevig bekritiseerde vernieuwingen ook zijn geweest, een van de belangrijkste doelen is niet gehaald: de ongelijkheid in kansen tussen leerlingen is niet afgenomen, aldus het SCP gisteren. Vmbo-ers stromen steeds minder vaak door naar het havo en het percentage leerlingen dat extra zorg op school nodig heeft, is in tien jaar gestegen met circa 34 procent. Daarbij stellen meer leerlingen hun schooltype tijdens hun schooltijd naar beneden bij en nog altijd gaan Turkse en Marokkaanse kinderen zelden naar havo of vwo.

Hoe kan dat? ,,Aangeboren of aangeleerd, daar breken we ons het hoofd over'', zegt onderzoekster H.M. Bronneman van het SCP. Echte `milieuselectie' het allochtone kind gaat naar het lbo, het kind van rijke ouders naar het categorale gymnasium gebeurt steeds minder. Maar, zegt Bronneman, ,,op de een of andere manier presteren kinderen uit achterstandsmilieus ook op de basisschool al minder. Dat houdt de selectie van leerlingen in stand.''

Vooral de schaalvergroting heeft niet aan de verwachtingen voldaan. Een positief effect van een fusiegolf zou volgens toenmalig minister Ritzen (PvdA) zijn dat leerlingen van verschillende niveaus in hetzelfde gebouw les zouden krijgen. Vmbo-leerlingen kunnen op die manier leren van leeftijdgenoten op het vwo, en omgekeerd. Maar daar komt maar weinig van terecht, zegt Bronneman. ,,Het aantal middelbare scholen is ongeveer gehalveerd. Maar de scholen blijven selecteren door op verschillende locaties les te geven.''

Dat de basisvorming het gewenste doel, meer gelijkheid in kansen, niet dichterbij heeft gebracht, verbaast hoogleraar Onderwijspedagogiek J. Terwel van de Vrije Universiteit niet. ,,De basisvorming, een kwetsbaar compromis, is ondoordacht ingevoerd en heeft daardoor selectie tussen kansarme en kansrijke kinderen alleen maar versterkt. Het oude ideaal van een gemeenschappelijk programma met verschillen in tempo en didactiek, is in het bestáánde systeem ingevoerd. De zwakke leerlingen krijgen de rekening gepresenteerd: zij komen met andere zwakke leerlingen in één klas en dat leidt tot onwerkbare situaties.''

Met negatieve gevolgen voor de kinderen uit lage milieus. ,,Terwijl dat heeft geleid tot het Mattheüs-effect: `Wie heeft, zal gegeven worden. Maar van wie niet heeft, zal genomen worden, ook dat wat hij heeft'. Met andere woorden, de prestatiecurves tussen kansarme en kansrijke kinderen zijn de afgelopen tien jaar alleen maar verder uit elkaar getrokken.''

Misschien moet een deel van de problemen bij de vele onderwijsvernieuwingen gezocht worden in de manier waarop zij zijn uitgedacht en doorgevoerd. ,,Neem het Studiehuis'', zegt onderzoekster Bronneman. ,,Discussie over de nadelen ervan was in de jaren negentig bijna onmogelijk. Het ministerie besteedde, zoals wel vaker gebeurde, de uitwerking van het idee uit aan een groep externe deskundigen. ,,Allemaal progressieve mensen met moderne ideeën, maar je kunt je afvragen of zij wel altijd hebben stilgestaan bij de vraag of leraren en leerlingen al die plannen wel konden uitvoeren.''