Uit alle macht op zoek naar een ziel

Het moeten aanhoren van andermans familieverhalen kan een beproeving zijn. Wat heb je als buitenstaander te maken met al die grappige, roerende of karakteristieke anekdoten over grootouders, ooms en tantes, neven en nichten die je niet kent en waarschijnlijk ook nooit zult leren kennen? Voor de familieleden zelf is het ophalen van zulke herinneringen ongetwijfeld hartverwarmend, het versterkt de saamhorigheid. Maar wie niet tot de familie behoort, voelt zich eerder buitengesloten, tenzij de verhalen zo markant en beeldend worden verteld dat ze zich van hun oorsprong loszingen en op eigen kracht de aandacht weten te vangen.

In 100 % chemie, het `familieverhaal' dat Doeschka Meijsing nu aan de openbaarheid prijsgeeft, is dat laatste nauwelijks het geval. Het kost de schrijfster al moeite genoeg om iets van die oorsprong te pakken te krijgen. Voor een belangrijk gedeelte zijn de zaken waarover zij vertelt in duister gehuld. In het bijzonder geldt dat voor het familieverleden van haar moeder, de dochter van een Duitse immigrante die in 1934 met haar Nederlandse echtgenoot in Berlijn de trein naar Eindhoven had genomen om daar een nieuw leven te beginnen.

Meijsing, of liever de vertelster van het verhaal, (maar tussen beiden lijkt niet veel verschil te bestaan) heeft deze grootmoeder Bettina tot haar grote verdriet nooit gekend. En haar eigen moeder wil over het Duitse verleden van de familie niets vertellen. Het is alsof zij haar leven in tweeën heeft geknipt, in een verzwegen Duits gedeelte en een Nederlands gedeelte, waarvan de kinderen sinds hun geboorte getuige zijn geweest.

Toch dringen ook van het Duitse verleden de nodige flarden tot hen door. Meijsing roept ze op in haar boek, even verward en fragmentarisch als ze haar zelf ter ore moeten zijn gekomen. We maken kennis met haar overgrootmoeder Maria Blumenträger, die in Asschaffenburg een hoedenatelier dreef, met haar overgrootvader, ooit conducteur op de `grote lijnen' maar tenslotte verkommerend in het gezelschap van een papegaai, en met hun vier dochters, van wie er één de grootmoeder van de schrijfster zal worden. Later duikt er ook nog een tante Else op, de belichaming van het naoorlogse Wirtschaftswunder, die de Hollandse tak van de familie van schoeisel voorziet. Voor de rest blijft het behelpen.

Erg indrukwekkend is het weinige dat Meijsing over haar Duitse familie te weten komt niet. Vandaar dat zij de karige gegevens op eigen gezag aanvult met verzinsels, tot ontzetting van haar moeder die het Duitse verleden liever als een gesloten boek behandelt. Waarom? Hier begint een reeks van vragen, die Meijsing op de tast probeert te beantwoorden. De zwijgzaamheid over het verleden interpreteert zij als de reactie van een immigrante, die zich nog alleen met haar nieuwe vaderland wenst te identificeren. Ook waarom grootmoeder Bettina in 1934 met man en kinderen uit Duitsland is vertrokken, blijft onduidelijk.

Gesuggereerd wordt dat overgrootmoeder Maria uit een joodse familie stamde, die in een grijs verleden tot het katholicisme was bekeerd, maar in hoeverre dat een rol heeft gespeeld weet niemand. Uit niets blijkt in elk geval dat deze joodse herkomst de achtergebleven familieleden tijdens het Derde Rijk enige schade heeft berokkend. Dat maakt het door Meijsing geopperde motief (weerzin jegens de nazi's die in Frankfurt het standbeeld van Heine hebben verwijderd) tot niet veel meer dan een vorm van wishful thinking.

Eigenlijk valt er met zo weinig feiten geen pakkend `familieverhaal' te schrijven. Er is amper een verhaal, behalve voorzover Meijsing het zelf heeft verzonnen. In 100 % chemie gaat het meer om de poging, om het verlangen naar zo'n verhaal dan om het verhaal zelf. Het beantwoordt aan de door de schrijfster meer dan eens vermelde behoefte aan `traditie'. De zwijgzaamheid van haar moeder heeft haar zo'n traditie onthouden, net zoals de vroege dood van grootmoeder Bettina haar van een echte `oma' heeft beroofd. Dit verhaal, dat de lezer bij stukjes en beetjes en met talloze hiaten wordt verteld, moet alsnog in die behoefte voorzien.

Een solide familietraditie had de kinderen Meijsing, die allen zijn gaan `schrijven' en allen last hebben gekregen van hun `tot onbeheersbare proporties' gezwollen hersencellen (zoals Meijsing het in een poging tot zelfspot noemt), misschien wat meer richting in het leven kunnen geven. Wie weet hadden ze er dan niet zo stuurloos in rondgedobberd, periodiek ten prooi aan de tentatie `van boord' te springen. `Buitenstaanders noemden dat gek of suïcidaal, maar wij hadden geen behoefte aan termen wanneer we alle zeilen bijzetten om niet ten onder te gaan op volle zee en we met vereende krachten Kaap de Goede Hoop rondden om, eenmaal in kalme wateren, de blaren van onze handen te likken'.

Het klinkt, bij alle obligate metaforiek, nogal dramatisch, en zo is het vaker in dit familieverhaal. Meijsing heeft haar onwetendheid aangegrepen als een mooie gelegenheid om het verleden van haar Duitse familie van wat meer dramatisch gewicht (de vage joodse herkomst, de hypothetische afkeer van de nazi's, de tragedie van de immigrant) te voorzien dan de schamele gegevens rechtvaardigen.

Onwillekeurig maakt het resultaat daardoor een ietwat gratuite, overtrokken indruk, want dat het werkelijk allemaal zo dramatisch is geweest weet Meijsing nergens waar te maken. Bovendien vraag je je af, waarom de behoefte aan traditie niet door de familie van vaderskant kon worden bevredigd. Vreemd genoeg horen we daarover vrijwel niets. Van vader Meijsing komen we niet veel meer te weten dan dat hij dol was op zijn pijp en op zijn vrouw en zijn gezin 's zomers in tweedehands auto's naar Italië reed. Ook in de verhalen over de Duitse familie gaat alle aandacht trouwens uit naar de vrouwen en komen de mannen er bekaaid af een even eenzijdige als modieuze benadering van het familieverleden.

Wat het boek desondanks redt, dat is het literaire elan waarmee Meijsing de eindjes aan elkaar knoopt. Dat zij kan schrijven, weten we natuurlijk al uit haar vorige werk. Hier bewijst zij met minimale stof opnieuw haar talent, bijvoorbeeld door de listige manier waarop zij de papegaai van haar overgrootvader (de `arme Pfiffikus') als een leidmotief door haar verhaal heeft gevlochten. Het beestje groeit uit tot een intrigerend symbool van het verzwegen familieverhaal én van de inspanningen van de schrijfster om het met behulp van de verbeelding toch te vertellen. `Wat weet je van de twee die je hebben voortgebracht eigenlijk meer dan de flarden van gesprekken die de arme Pfiffikus opving en weergaf', vraagt Meijsing zich af.

Op grond van dit boek moet het antwoord luiden: niet zo heel veel meer. Van haar oude moeder hoort Meijsing dat de mens voor honderd procent uit `chemie' bestaat. Zij kan er als dochter geen genoegen mee nemen. Onder haar pen krijgt de `chemie' daarom ook nog een andere betekenis: die van een toevallige familieband, waaraan een grotendeels verzonnen verhaal uit alle macht en met matig succes probeert zoiets als een `ziel' toe te voegen.

Doeschka Meijsing: 100 % chemie. Een familieverhaal. Querido, 159 blz. €15,95