Tot de laatste snik

In een serie over opnieuw uitgegeven klassieken deze week `De rode letter' van Nathaniel Hawthorne (vert. Nel Bakker, inl. Pieter Steinz, Contact, 270 blz. € 19,90)

Wie zich in deze tijd aan de boeken van Nathaniel Hawthorne zet, komt voor enkele verrassingen te staan. Hoe kan het bijvoorbeeld dat een even humorloze als plechtstatig geschreven roman als The Scarlet Letter uit het jaar 1850 zo'n dwingende greep krijgt op de moderne lezer? Is het het vakmanschap van de auteur? Natuurlijk. Maar ook is het die bijna anachronistisch geworden leeservaring die erin ligt dat een meeslepend verteld verhaal de honger van de lezer naar de afloop voedt.

We ontmoeten de heldin van het verhaal, Hester Prynne, als zij de gevangenis verlaat met een kind op haar arm en een rode letter op haar borst; de letter A van Adulteress, notabene door haar zelf op haar kleed geborduurd. Terwijl zij door de streng puriteinse bevolking van Boston met minachting, woede en opwinding wordt gadegeslagen, legt zij de korte weg af naar een stellage op het dorpsplein die als schandpaal dient, alwaar zij haar door de rechter opgelegde levenslange boetedoening beginnen mag. En het is tijdens deze korte wandeling dat Hawthorne ons een eerste blik gunt in de krochten van de ziel van een zondares in het zeventiende-eeuwse, bijna hysterisch religieuze New England. Een eerste blik die ronduit verslavend is.

Prompt zit je in het verhaal. En even pardoes lijkt Hawthorne alle kaarten op tafel te gooien. Waarom staat de geliefde, plaatselijke dominee er juist op dit moment op dat Hester vanaf de schandpaal, ten overstaan van het hele dorp, eindelijk bekend maakt wie de vader van haar kind is? En waarom is de pas gearriveerde vreemdeling, een mismaakte man die zich aangesloten heeft bij het woedende gepeupel op het marktplein, zo bij zinnen dat hij, zodra die vrouw op het schavot hem met een schok herkend heeft, haar met een gebaar gebiedt hun band te verzwijgen? Wie de logica van de negentiende-eeuwse roman kent, denkt de plaatjes nu verder zelf wel in te kunnen vullen.

Wel, ik geef het de doorgewinterde lezer te doen.

Hawthorne voert namelijk een ongekend wrede regie. De vier hoofdpersonen (ook het kind, het dochtertje Pearl, legt veel meer gewicht in de schaal dan van een minderjarige vrucht van de zonde verwacht mag worden) belanden in een pandemonium van schuld en boete, en de spanning van het verhaal ligt heel eenvoudig in de vraag hoe dit kwartet verdoemden de last van het leven dragen zal. En juist omdat Hawthorne zo verhalend psychologie bedrijft, krijgt het dreunende determinisme dat de verteller op deze zielen botviert de kracht van een nachtmerrie, in plaats van die door de hedendaagse lezer nauwelijks meer gepruimde routine van oorzaak en gevolg, die vele romans van Hawthorne's Europese tijdgenoten tegenwoordig zo ongeloofwaardig maakt. Dat Hawthorne redelijk vroeg in de negentiende eeuw juist zijn personages zo briljant laat worstelen met de vraag of dat determinisme niet een op instorten staande ezelsbrug voor de zwakkeren van geest is, mag op z'n minst verrassend genoemd worden.

De zwakheden van deze roman – de maar durende veroordeling van de puriteinen, de bombastische symboliek – neemt men dan al snel voor lief, en dat de schrijver heeft gemeend zijn gevoel voor humor (waarover hij wel degelijk beschikt) te moeten beperken tot de namen van enkele hoofdrolspelers, vergeven we hem ook graag. Want wij willen doordringen in de onthutsende paradoxen die Hawthorne voor Hesters zielenleven ontworpen heeft. Wij willen weten of de kleine Pearl werkelijk een boosaardig kind van de natuur is, zoals wordt gesuggereerd. We smeken om verlost te worden van ons mededogen met de vader van dat kind, de tobbende dominee, die maar door het boek blijft wankelen en argument na argument ophoest om zijn zonde niet op te hoeven biechten en Hesters leven te verlichten. En we hopen dat die mismaakte vreemdeling, de echtgenoot van Hester uit de oude wereld op wie zij, de vooruit gereisde vrouw, geacht was te wachten en die zich nu ontpopt als intrigant die louter nog leeft voor wraak, tijdig door de schrijver onderuit wordt gehaald zodat hij zijn snode plannen niet kan uitvoeren.

Maar aan de wensen van de sentimentele lezer heeft Nathaniel Hawthorne geen boodschap. Als er verlossing aan de einder gloort voor de ouders van Pearl, en de oude wereld begint te lonken, zoals ooit eens eerder de nieuwe deed, grijpt de wrede geest van het puriteinse volk, dat een zelfstandig opererend monster is geworden (en dat opgeroepen is met méér bezieling dan de heksen die later door diezelfde brave burgers op de brandstapels gegooid werden ooit bezeten hebben), in om het noodlot een laatste kans te gunnen zijn werk af te maken.

De afloop verraad ik hier niet, maar wel wil ik verklappen dat er zelden een roman geschreven is waaruit blijken mag dat waardigheid, waarnaar door Hester Prynne gestreefd wordt met alle krachten die ze tijdens deze nachtmerrie weet te vinden, offers vraagt die de mens tot het uiterste doen gaan. Of de offers die Hester Prynne brengt niet al te groot zijn zal de niet geheel vermolmde lezer dan ook langer bezighouden dan de duur van deze vertelling.

`De rode letter' van Nathaniel Hawthorne (vert. Nel Bakker, inl. Pieter Steinz, Contact, 270 blz. € 19,90)