Sluipbewegingen om de sluier

De positie van de vrouw in de islam zal door de moderne tijd en eigentijdse interpretaties van de koran onvermijdelijk veranderen. Een obstakel is de patriarchale tegenreactie.

Wat willen moslimvrouwen? Ook in Nederland wordt het debat over de rol van vrouwen binnen de islam vooral over hun hoofden gevoerd, en dan vooral over hun hoofddoekjes, als teken van patriarchale vaders en de remmende werking van de traditie. Maar wat willen de vrouwen zelf? In elk geval, lijkt het, dit: vooruitkomen en meetellen.

In de literatuur over moslimvrouwen zijn twee stromingen te zien: een exegese van geloofsuitspraken die raken aan de vrouw, en aan de andere kant een beginnend empirisch onderzoek van de praktijk: hoe denken moslimvrouwen over zichzelf? Zowel Anne Sofie Roald, met Women in Islam, als Riaz Hassan met Faithlines biedt aanknopingspunten voor een eigentijds portret dat de clichés achter zich laat en een meer open blik biedt op de toekomst.

De komst van de islam betekende volgens de meeste historici een verbetering voor veel vrouwen, althans tot de religie werd `gekaapt' door de mannen, zoals Riaz Hassan het uitdrukt. Infanticide op meisjesbaby's werd taboe verklaard, vrouwen werden gezien als gelijken van de man voor God. In culturele zin was dat niet het geval: de vrouw bleef ondergeschikt aan de man. De koran interpreteert de huwelijksrelatie tussen man en vrouw in termen van verantwoordelijkheid en partnerschap, waarbij de man uitdrukkelijk de leiding heeft. Het huwelijk geldt in de islam zo als de beste waarborg tegen harteloosheid, seksuele chaos en frustratie.

Cruciaal daarbij is dat de islam zichzelf zag als een revolutionare breuk met de jahilliyya, de tijd vóór de Koran die in de turbulente overgangsperiode van pastoraal nomadisme naar stedelijk mercantilisme, zou zijn beheerst door zelfverrijking en afgoderij; een duister verleden waarvan de herinnering volgens de feministe Fatima Mernissi nog doorklinkt in het Arabische wantrouwen van individualisme. Het huwelijk was een zaak van de clan, veel vrouwen waren weinig beter af dan slaven. Maar in de islam werd het huwelijk een burgerlijk contract tussen twee (ongelijke) partners. De vrouw kreeg daarbij het recht haar eigen naam te blijven dragen, de bruidsschat te houden en goed behandeld te worden. Polygamie bleef toegestaan, mits de man in gelijke mate zorg kon dragen voor zijn vrouwen. Eenzijdig scheiden was voorbehouden aan de man (talaq), de vrouw kon zich met toestemming van de man vrijkopen (khul) of zich, in uitzonderlijke gevallen, tot de rechter wenden om het huwelijk te laten ontbinden (tafriq).

Seksueel `gevaar'

Vooral onder het latere kalifaat werden de vrouwenrechten in de praktijk drastisch ingeperkt. Juristen onderstreepten de inferieure status en het seksuele `gevaar' van de vrouw (als ontwrichtende kracht volgens Mernissi ook weer een patriarchale `herinnering' aan de duisternis van de jahilliyya), en haar plicht tot gehoorzaamheid en beschikbaarheid binnen het huwelijk. Andere wetsscholen waren liberaler, maar toch verdwenen vrouwen steeds meer uit het openbare leven.

Het idee van een natuurlijke taakverdeling tussen man en vrouw, waarbij zij belast is met de zorg voor keuken en kinderen, is in de regio ook nu nog wijdverbreid, moderne islamitische landen als het (niet-Arabische) Turkije buiten beschouwing gelaten. Dat betekent niet dat die wereld stilstaat. Seculiere regimes probeerden modernisering van bovenaf op te leggen, en opvallend genoeg waren het in de twintigste eeuw ook juist islamisten die de nadruk legden op scholing en een rol voor vrouwen bij het opbouwen van de staat maar dan wel gesluierd.

In Faithlines, een grootschalig onderzoek naar het zelfbeeld van moderne moslims, doet Riaz Hassan verslag van een enquête onder meer dan vierduizend moslims in Egypte, Pakistan, Indonesië en Kazachstan. De meesten – behalve in het door de Sovjet-Unie met harde hand geseculariseerde Kazachstan – blijken een krachtig, traditioneel zelfbeeld te hebben, die Hassan onderkent als een `islamitische renaissance'. Ze delen een sterk geloof, vertrouwen in de koran en shari'a alsmede de overtuiging dat vrouwen de kledingvoorschriften daarin moeten volgen. Maar het beeld is gemengd: zo wordt voortgezet onderwijs voor meisjes door een grote meerderheid niet minder belangrijk gevonden dan voor jongens. Indonesische moslims zijn daarnaast aanzienlijk progressiever over de noodzaak van werk voor vrouwen dan Egyptische.

Hassan merkt op dat de meeste moslims zeker geen aanhanger zijn van radicale groepen en de voorkeur geven aan democratisch, tolerant en gematigd politiek leiderschap. Ook de virulente argwaan tegenover de Verenigde Staten wordt meer ingegeven door politieke argumenten en de internationale rol van de VS, dan door een religieuze afkeer van `het westen'. Dat neemt niet weg dat de hang naar traditionalisme, volgens Hassan mede het gevolg van statusverlies voor mannen, de ontwikkeling van vrouwen ernstig kan bemoeilijken. Naarmate vrouwen in islamitische landen meer te zeggen krijgen, zal die patriarchale tegenbeweging alleen maar toenemen, verwacht hij.

Hoe denken moslims in Europa daarover? In Women in Islam gaat Anne Sofie Roald, een Zweedse onderzoekster (en moslim), na hoe moslims in het westen denken over de rol van vrouwen. Roald, die de traditie zowel respectvol als kritisch weet te benaderen, ondervroeg ruim tachtig Europese moslims, van uiteenlopende overtuigingen. Dat aantal is te gering voor brede conclusies, maar de teneur van de gesprekken is onmiskenbaar dat moslimvrouwen hechten aan hun geloof en traditie, maar beslist niet de ogen sluiten voor de moderne tijd. Verreweg de meeste van Roalds gesprekspartners vonden ook dat vrouwen zeker hoge ambten kunnen bekleden, al wordt het minder gepast gevonden dat een vrouw staatshoofd is.

Herleving

Roald gaat nauwgezet in op talrijke koran-passages en hadiths, erkende verhalen over de Profeet, en probeert daar de latere patriarchale kalkaanslag af te schrapen. Een moderne interpretatie is volgens haar vruchtbaar en hoe dan ook onvermijdelijk is als de islam pas wil houden met de emancipatie van vrouwen in Europa. Zo verwacht ze dat de gehoorzaamheid die aan mannen verschuldigd is steeds meer wordt gezien als een plicht tot overleg, en het begrip qiwama, dat de leidende positie van de man aangeeft, als `verantwoordelijk zijn voor' en niet als `baas zijn van'.

Een dergelijke tijdgebonden interpretatie van de Koran was eeuwenlang staande praktijk, vóór de intellectuele verstening van de Arabische wereld, en is juist de laatste decennia in allerlei varianten, van Turkije tot onder Europese moslims, aan een herleving begonnen. De koran meldt zelf al dat het boek twee soorten uitspraken bevat: ondubbelzinige en meerduidige, vatbaar voor interpretatie. Toch kan een eigentijdse herinterpretatie van de koran vrouwen op zichzelf nog niet helpen hun positie in gesloten milieus als die van Marokkaanse Nederlanders te verbeteren. Zo'n modernisering van het geloof lijkt eerder wenselijk tegelijk mèt, of ná andere emancipatoire maatregelen op het gebied van scholing en werk. Roald waarschuwt bovendien tegen een vergelijkbare bedreiging voor vrouwen in Europa als Hassan daarbuiten: een backlash van traditionele mannen die zich bedreigd voelen door de snelle ontwikkeling van `hun' vrouwen.

Women and Islam gaat tenslotte in op omstreden kwesties als vrouwenbesnijdenis en het sluieren van moslimvrouwen. Er is al vaak opgemerkt dat besnijdenis van vrouwen geen islamitisch gebruik is, maar een Afrikaanse gewoonte die met een beroep op de islam wordt gelegitimeerd. Drie van de vier islamitische wetsscholen (de Maliki, Hanbali en Hanafi) beschouwen een vorm van vrouwenbesnijdenis niet als verplicht, maar keuren het ook niet af; de vierde (Shafi'i) noemt het verplicht. Dat het gebruik desondanks in Marokko, Algerije en Tunesië – waar de Maliki-school dominant is – nauwelijks voorkomt, en wèl in Soedan, wijst erop dat de invloed van de wetsscholen op dat punt minder sterk is dan die van lokale sociaal-culturele normen.

Roald (die zelf een hoofddoek draagt) zet zich af tegen feministen die de sluier verwerpen. De schaarse en vage verwijzingen ernaar in de Koran worden door modernisten uitgelegd als voorschriften die zijn bedoeld voor de echtgenotes van de Profeet en zeker niet als een universeel gebod. Volgens Mernissi gebruiken Arabische staten de sluier trouwens ook als middel om vrouwen thuis te houden en zo de werkloosheid kunstmatig te drukken. Maar Roald vindt de hijab gepast, en niet per se een vorm van onderdrukking. De betekenis van het hoofddoekje is volgens haar hoe dan ook ambigu, en kan in Europa onder moslimmeisjes ook verwijzen naar cultureel zelfvertrouwen. Ook hier geldt dat reële emancipatie dringender lijkt dan een strijd om symbolen.

Riaz Hassan: Faithlines. Muslim Conceptions of Islam and Society. Oxford University Press, 276 blz. E26,34 Anne Sofie Roald: Women in Islam. The Western Experience. Routledge, 339 blz. E31,76