Pappen en standhouden

Hoe gaat Nederland om met rivaliserende groepen en belangen? Volgens historicus Piet de Rooy is de natie met name sinds 1813 getraind geraakt in het plooien van tegenstellingen.

In de omslag van het boek wordt het laatste (en onvoltooide) schilderij van Piet Mondriaan zichtbaar: Victory Boogie Woogie. Het geheel van kleurige vierkanten en vierkantjes moet hier het zinnebeeld zijn van een historische zienswijze op het Nederland van de negentiende en twintigste eeuw. Republiek van rivaliteiten heet het nieuwe boek van de Amsterdamse hoogleraar en historicus Piet de Rooy. Het gaat om een Nederland waarin het samenstel van de delen prominenter is dan de eenheid en ondeelbaarheid van de staat zoals die sinds 1798 werd gecreëerd. Het is hem meer te doen om de natie dan om de staat. En het zijn maatschappelijke scheidslijnen die zijn gang door de geschiedenis bepalen: die van de stand, die van de godsdienst, die tussen man en vrouw en ecologische.

De grondtoon van het boek is een variatie op de door De Rooy geciteerde these van de Franse historicus Ernest Renan, die in 1882 verkondigde dat het bestaan van een natie niet wordt verklaard uit de eenheid van taal of godsdienst of uit een gemeenschappelijke oorsprong, maar wordt geconstrueerd door een bevolking in het bewustzijn van een gezamenlijk verleden en in de wil om met elkaar door te gaan. Zij is als het ware het resultaat van een dagelijkse volksstemming. In het boek van De Rooy is dat een permanente vraag: welke natie wilden de Nederlanders in welke periode zijn en welk waardesysteem hadden zij daarbij voor ogen. De titel, Republiek van rivaliteiten, suggereert een permanente discussie en strijd maar ook permanente verwevenheid tussen met elkaar rivaliserende volksdelen of politieke bewegingen.

De blik is in dit boek naar binnen gericht. Het buitenland speelt er geen rol van betekenis in, evenmin als de Nederlandse buitenlandse politiek. Dat geldt eigenlijk ook voor de koloniën. De Rooy is geïnteresseerd in de maatschappelijke rivaliteiten; in een samenleving waarvan de samenhang telkens opnieuw uit delen moet worden gevormd. Hij toont een bijzonder talent voor het innemen van niet geijkte en steeds heldere gezichtspunten op de sociale en politieke ontwikkelingen. Hij levert en passant met zijn boek ook een bijdrage aan de rehabilitatie van het belang van politieke geschiedenis, als tenminste rehabilitatie een passende en noodzakelijke term wordt bevonden voor de oudste tak van de geschiedschrijving.

Verzuiling

Deze gerichte belangstelling is in zekere zin de som van De Rooy's publicaties. Hij heeft in zijn proefschrift over de werklozenzorg en bestrijding van werkloosheid in de jaren twintig en de crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw bijzondere aandacht gekregen voor de ontwikkeling van de sociale zekerheid. In het verzuilingsproject van Amsterdamse historici onder leiding van prof. dr J.C.H. Blom is zijn fascinatie geboren voor het geheel en de delen. Bij het honderdjarig bestaan van de sociaal-democratie schreef hij een opmerkelijke Inleiding op de herdenkingstentoonstelling, waarin afstand werd genomen van een al te nadrukkelijke partij- en emancipatiegeschiedenis. Al deze vondsten en verworvenheden zijn terug te vinden in het nieuwe essay. Republiek van rivaliteiten is geen compleet boek van de Nederlandse geschiedenis sinds 1813, maar wel een opstel met boeiende klemtonen; grote ontwikkelingen worden geschetst in het miniatuur van een treffend citaat of in een uitleg waarin helderheid en precisie elkaar naar de kroon steken.

Als begindatum heeft De Rooy 1813 gekozen, het jaar van de herrijzenis van een zelfstandig Nederland na de Franse overheersing dat voortaan een jubeljaar zou worden. Dat is eigenlijk een ouderwetse keuze. Want zo blijft de periode van de Bataafse Republiek, een vruchtbare tijd voor de staatkundige modernisering van Nederland, te zeer een voorgeschiedenis. In De Rooy's opzet wordt de nieuwe grondwet van Thorbecke in 1848 de aankondiging van nieuwe tijden; `de moderne politiek' werd eerst daardoor in Nederland mogelijk gemaakt. Dat is een treffende observatie in het licht van zijn interesse in politieke cultuur en politieke omgangsvormen, maar niet vanuit een filosofische dimensie van de politiek. Want dan zou de eerste grondwet van de Bataafse Republiek (1798), die zowel uit het oogpunt van natievorming als in de privatisering van de godsdienst als een revolutionaire ontwikkeling kan worden gezien, wat minder in de schaduw zijn gebleven.

De Rooy concentreert zich op het centrum, Holland, ook al vermeldt hij in een Nawoord zijn herkomst uit de Langstraat, uit een protestantse enclave in het overwegend katholieke Noord-Brabant. De regionale en politieke rivaliteiten, die in het ene koninkrijk van 1814 ontstonden, worden niet aan weerszijden van de scheidslijnen verkend. De Brabander De Rooy laat het meest zuidelijke deel (vanaf 1830 België) terzijde liggen, maar dat hield ook geen stand en speelt zich af vóór 1848. Limburg is juist daarna een randgebied want het heeft zich in zijn woorden steeds willen zien als het `andere Nederland' met een eigen cultuur en andere omgangsvormen; in ieder geval als niet-Hollands. `In de moderne toeristenindustrie wordt dit tegenwoordig te gelde gemaakt door deze provincie te presenteren als een stukje buitenland in eigen land.' In dit essay over diverse tegenstellingen wordt de betekenis van deze periferie ontzien of tenminste sterk gerelativeerd.

Vertrekpunt is eigenlijk 1848, wanneer de dynastieke ambities van Willem I en Willem II worden vervangen door een liberale bevordering van de `nationale kracht', het streven van individuele burgers naar ontplooiing. Een volgende fase werd ingeluid door de antirevolutionaire leider Abraham Kuyper, die in het parlement de expressie van met elkaar strijdige staatkundige beginselen bepleitte. Hij moderniseerde de politiek door een combinatie van zijn streven om de eigen geloofsgenoten, de `kleine luyden', te mobiliseren in een eigen en besloten gemeenschap maar hen tegelijkertijd hechter dan ooit te binden aan de nationale gemeenschap.

Verzuiling

In de eerste helft van de twintigste eeuw werd Nederland gekenmerkt door verzuiling, een van De Rooy's centrale thema's. De verschillende volksdelen rivaliseerden min of meer officieel met elkaar in godsdienst en levensbeschouwing; in hun zienswijze op de Nederlandse samenleving en op haar verleden. Ze vonden elkaar tegelijkertijd in een langdurige pacificatie van ideologische tegenstellingen. Na de Tweede Wereldoorlog nam de combinatie van nieuwkomers – socialisten en katholieken – in dit bestel de leidende rol op zich met als consequentie dat in Nederland de tegenstellingen verder verzachtten en het pragmatisme groeide. In het laatste kwartaal van de twintigste eeuw breekt de periode, waarin de politiek in Nederland niet langer de voortzetting van de theologie was maar dan met andere middelen. Het levendige debat en zelfs de rellen die de jaren zestig interessant hadden gemaakt, werden verruild voor wat de Haarlemse botanicus Van Eeden in 1870 had genoemd het oprukken van een saaie en vulgaire `alledaagschheid'. Niet alleen de kerken verloren aanhang; de politieke partijen verloren leden en aan betekenis.

Die `alledaagschheid' is inmiddels doorbroken. Want de eenheid van Nederland opnieuw in discussie geraakt door de opkomst van een multiculturele samenleving. De aanslagen op het World Trade Center en het Pentagon kan De Rooy aan het einde van zijn betoog invoegen als een plotseling moment van bewustwording over een mogelijk nieuwe bedreiging van de maatschappelijke vrede. `Was ongelijkheid vroeger vanzelfsprekend en in de orde der dingen besloten, nu zijn de grote verschillen vervaagd; daarmee is echter ook veel ervaring in de omgang met grote verschillen verloren gegaan. Opnieuw is `Nederland' inzet geworden van debat.'

De uitkomst van zo'n discussie over een multiculturele samenleving behoort niet tot de geschiedenis maar ligt in de toekomst besloten. Toch zou men aan De Rooy's essay enig optimisme kunnen ontlenen over een positieve wending. Het historische beeld van Nederland zoals hij dat schept wordt immers beheerst door een traditie van het schikken van tegendelen en de samenhang van minderheden. De dagelijkse volksstemming over wat de natie zou moeten zijn wortelt in een voor deze natie typerende ervaring van verwevenheid van de delen. Daaruit kan worden geput in de nieuwe uitdaging van een Republiek van (rivaliserende) culturen. Bedoeld of onbedoeld, De Rooy eindigt eigenlijk majeur.

Piet de Rooy: Republiek van rivaliteiten. Nederland sinds 1813. Mets & Schilt, 352 blz. E25,–