Palestijnen zijn de vele vredesadviezen beu

Ik heb het gevoel alsof mijn handen vastgebonden zijn, mijn lichaam verlamd geraakt en mijn geest afgestompt is. Ik doe vrijwel niets. Sinds drie weken zitten wij de hele dag binnen en luisteren op alle radiozenders naar het nieuws, kijken televisie, luisteren ingespannen naar de geluiden van buiten en schrikken wanneer schoten vallen of bommen ontploffen.

Boven Ramallah hangen rookwolken. Tanks rijden door de straten en maken alles kapot wat op hun weg komt: trottoirs, trappen, stroommasten en telefoonpalen. Ze verpletteren geparkeerde auto's en laten bomen omknakken. Ze banen zich een weg door huismuren en blazen de ingangen van winkels op. Alle mannen die ouder zijn dan 14 jaar worden naar verzamelplaatsen gedreven; met ontbloot bovenlichaam of bijna naakt worden ze door de straten gejaagd, om tenslotte naar gevangenenkampen te worden gebracht. Iedereen wordt verhoord, iedereen wordt geslagen. Vrijgelaten worden ze vaak midden in de nacht en sluipen dan te voet naar huis, met de voortdurende angst dat een soldaat hen zou kunnen doodschieten. De meeste gevangenen zijn burgers, onder wie ook militante strijders die zich als vrijheidsstrijders beschouwen, maar die door Israël terroristen worden genoemd. Van de gearresteerden zijn velen politieman of als veiligheidsmensen in dienst bij de Palestijnse Autoriteit. Veel van deze mannen geloofden in het vredesproces en behoren nu tot de eerste slachtoffers.

Wij willen helpen, maar we voelen ons machteloos. We zijn steeds in staat van paraatheid; vol van de angst voor het gruwelijke dat zou kunnen gebeuren. Wij sidderen om de vele doden en gewonden die in de verwoeste gebouwen of op straat liggen, zonder dat iemand hun lichamen kan bergen of hen te hulp kan schieten. Wie dat probeert, zet zijn eigen leven op het spel. Er werd verteld over een groep van tien vrouwen die zich na een vuurgevecht op straat waagden: met hun armen in de lucht smeekten ze de soldaten om de hulpeloze gewonden bij te staan. Hun aanvoerster, de arts Kadah, werd doodgeschoten en de andere vrouwen raakten zwaar gewond. Op veel plaatsen is de bevolking gegijzeld door de strijdende partijen.

Hoe vaak heb ik vroeger niet moed gevat en Israëlische soldaten aangesproken, terwijl de toestand zeer gespannen was. In veel gevallen was het mogelijk, om door het uniform heen tot het menselijke door te dringen en vervolgens in vrede uiteen te gaan. Vandaag de dag is het risico van het aanspreken van soldaten dodelijk.

De stad Nablus, met zijn prachtige oude centrum, is al sinds eeuwen een levendig centrum van handel en bedrijvigheid. De steegjes en torens, de hoven en familiediwans zoals Abdul Had, Al Agha, Tukan en Harat al-Yasmineh hadden een lange geschiedenis en schiepen een haast bijbelse atmosfeer. Raketten en kogels hebben het stadsbeeld dat ons lief was veranderd in een hoop puin. Daaronder liggen ontelbare doden begraven; de voorbijrijdende tanks schuiven ze samen met het puin opzij. Kana'an en Rantisi, twee zeepfabrieken die al sinds vele generaties olijfolie tot zeep verwerkten, zijn verwoest. Ik heb de fabrieken vaak bezocht met familieleden of vrienden. Ook zij maakten voor ons deel uit van de Palestijnse geschiedenis en traditie.

Momenteel denken de Palestijnen veel aan het verleden, al gaat het daarbij natuurlijk niet om de bloeitijd van Nablus. Wat in de herinnering terugkeert, zijn de nachtmerries over de slachtingen en verdrijvingen van 1948, over de terreur die ten aanzien van de Palestijnen werd uitgeoefend door organisaties als Irgun, Stern, Hagana en Palmach. In ons geheugen en diep in onze ziel zijn deze herinneringen nog glashelder aanwezig; ze worden gedocumenteerd door de overlevenden, de getuigen en de geschiedenisboeken.

Natuurlijk hebben de anderen ook hun eigen waarheid – de waarheid over datgene wat zij beleefd hebben. In de Israëlische geschiedenisboeken viel tot nu toe niets te lezen over de 418 Palestijnse dorpen en gehuchten die vernietigd werden, niets over dodelijke slachtoffers en vluchtelingen. Deze geschiedenis van de Palestijnen werd buiten beschouwing gelaten en genegeerd. Van hun kant sluiten de Palestijnen de ogen voor datgene wat zij over de joodse geschiedenis buiten Palestina weten. Ze plaatsen zich buiten het kader van een historische tragedie waarmee ze niets van doen willen hebben. Wat de Palestijnen weten over de Israëlische geschiedenis, berust op de eigen traumatische belevenissen, waarin de buren alleen als kolonisatoren en als brute bezettingsmacht figureren. Op die manier komen de twee verschillende geschiedenissen van twee volken die allebei slachtoffer zijn met elkaar in botsing; waarbij het tenslotte om hetzelfde land gaat, om hetzelfde bestaansrecht dat wordt geëist en, aan beide zijden, om een moeilijk te dragen leed.

Natuurlijk domineert hij die de macht heeft ook de informatie en documentatie en kan bepalen wat gezegd, geweten en gedacht mag worden, om zo de eigen waarheid te kunnen claimen. Vandaag de dag worden vertegenwoordigers van de media en buitenlandse waarnemers uit de Palestijnse steden en vluchtelingenkampen geweerd. Zij mogen geen getuigen worden van de geschiedenis. De oorlogssituatie wordt uitgebuit om een stap dichterbij de ideologische doelstellingen te komen: totale controle over land en grond. De structuur en de infrastructuur van de Palestijnse Autoriteit zijn vernietigd, enorme hoeveelheden documenten zijn meegenomen, en de materiële en geestelijke bases die ons voortbestaan als gemeenschap en als volk mogelijk hadden moeten maken, zijn onder onze voeten weggeslagen.

Het bittere en ondraaglijke leven van alledag werd een voedingsbodem voor radicalisme en fanatisme. Onderdrukking en vernedering smoorden alle toekomstperspectieven in de kiem en brachten in de mensen het onmenselijke naar boven. Zij raken de zin van hun eigen leven en dat van anderen kwijt: als ik moet sterven, dan zij ook, wanneer mijn leven voor hun niets betekent, dan mag hun leven in mijn ogen ook geen betekenis hebben. Tien jaar geleden was er bij ons niemand die zelfmoordaanslagen pleegde. Vorig jaar waren het er enkele tientallen, morgen kunnen het enkele honderden zijn.

Onder Palestijnen wordt hevig gediscussieerd over de zelfmoordaanslagen. De grote meerderheid vindt aanslagen op burgerslachtoffers in Israël misdadig en verwerpelijk. Aanvallen op militaire doelen in Israël en in de bezette gebieden en offensieven tegen kolonisten worden echter vanuit het oogpunt van zelfverdediging als legitiem, ja, zelfs als een plicht beschouwd. Nog steeds staat slechts een kleine minderheid achter alle aanslagen. Het door hen gebezigde argument is meestal dat de maatregelen van Israël het toppunt van gewelddadigheid en terreur zijn. Oog om oog, tand om tand, is hierbij de leidende gedachte.

Deze groep zal steeds groter worden, naarmate er minder uitzicht is op een politieke oplossing. Het valt ons zwaar om onder de heersende omstandigheden de eisen van zelfbeheersing en redelijkheid in te willigen. Wij zijn de adviezen voor het doorbreken van de geweldspiraal beu. De bezetting en het negeren van de nationale rechten van de Palestijnen zijn de oorzaak van het conflict: op die oorzaak moeten de oproepen en het handelen van de wereldopinie zich richten.

Sumaya Farhat-Naser is hoogleraar Botanica en Ecologie aan de Bir-Zeit Universiteit in Jeruzalem.

© Neue Zürcher Zeitung