Noodkreet onderwijs

De onderwijsinspectie slaat alarm. In haar jaarverslag over 2001 schetst inspecteur-generaal Kervezee een angstaanjagend perspectief indien niet snel drastische maatregelen worden genomen. Het sombere aspect in het jaarverslag is vooral gelegen in de hiërarchie. Hoe hoger op de ladder, des te beter is de relatieve kwaliteit van het onderwijs. Het niveau van het hoger (beroeps)onderwijs is niet om over te juichen – met name de tentaminering laat te wensen over – maar bij elkaar krijgen de instellingen een kleine voldoende. In het voortgezet onderwijs zijn de problemen veel groter. Die hebben te maken met de hervormingsdrift van de afgelopen decennia. De tweefasestructuur zag er op papier aardig uit, maar in de dagelijkse praktijk hebben de vernieuwingen tot problemen geleid. Het lerarentekort en de ondermaatse kwaliteit van de fysieke infrastructuur hebben de spanning tussen theorie en praktijk verder verscherpt. Met name in de grote steden, waar de kinderen uit migranten- en/of achterstandsmilieus zijn geconcentreerd, zijn de scholen onvoldoende in staat de rest van Nederland bij te benen. Vier procent van de scholen is ,,zeer zwak''. De kinderen zijn de dupe omdat ze niet worden uitgedaagd, maar door omstandigheden klein worden gehouden. Een `tweedeling', om dit ouderwetse woord eens te gebruiken, dreigt. Ook het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) waarschuwt daarvoor. Alle pogingen het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs een duwtje in de rug te geven, hebben niet het gewenste resultaat geboekt.

In het basisonderwijs is het beeld vergelijkbaar. En dat is pas echt alarmerend. Het basisonderwijs is het begin van alles. Het woord zegt het al. Wat goed was, blijft goed. Wat slecht is, wordt amper beter. Bovendien is er een negatieve dynamiek op gang gekomen. Het percentage vier procent `zeer zwakke' scholen, blijft min of meer gelijk. Maar tegen elke school die zich hieraan weet te ontworstelen, staat een andere school die terugvalt.

De oorzaken zijn niet eenduidig. Eén reden is niettemin aanwijsbaar. Het tekort aan onderwijzers en leraren. Het beleid van de bewindslieden Hermans en Adelmund om het vak aantrekkelijker te maken, blijkt onvoldoende soelaas te bieden. Met name jonge leerkrachten kiezen niet voor het vak waarvoor ze zijn opgeleid. Elders op de arbeidsmarkt hebben ze legio kansen. Om deze desertie tegen te gaan, zijn nu onconventionele maatregelen geboden. Met reclamecampagnes en primaire arbeidsvoorwaarden alleen lukt het niet meer om jonge leerkrachten vast te houden.

Er moet dus gedacht worden aan andere secundaire arbeidsvoorwaarden, zoals loopbaanontwikkeling en delegeren van niet-specifieke onderwijstaken. In de grote steden draait het bovendien om huisvesting. In Amsterdam heeft het stadsbestuur enkele jaren geleden besloten om de nijpende kwalitatieve woningnood – te weinig en vooral te dure huizen – te verzachten met een gemeentelijke lening van 45.000 euro voor starters die een huis willen kopen maar onvoldoende hypotheek kunnen krijgen. Tevens heeft het 500 huurwoningen gereserveerd voor mensen die bij politie, onderwijs of zorg willen gaan werken. Vooral medewerkers uit de laatste twee sectoren blijken hieraan behoefte te hebben.

Zulke privileges ogen als een sovjetsysteem, waar een baan vooral toegang bood tot voorzieningen. Maar gelet op de toon van het jaarverslag van de Onderwijsinspectie is het verstandig de oplossing ook in deze hoek te zoeken.