Minachting voor het publiek 5

In `Minachting voor het publiek. Het failliet van de Nederlandse musea' (CS 12 april) deelt Janneke Wesseling rake klappen uit aan de huidige musea. Dat jonge kunstenaars het spoor bijster lijken te zijn (wat voor de gehele kunstpraktijk lijkt op te gaan), lijkt me een gepaste overdenking. En inderdaad, met het slechten van alle barrières die tussen hoge en lage kunsten, tussen kunst en kitsch, tussen autonome kunst en vormgeving is het kind, de kunst, met het badwater weggegooid. Wesseling doet echter geen begrijpelijke suggesties voor een uitweg uit deze museale crisis.

De crisis in de kunstpraktijk wordt hoofdzakelijk veroorzaakt omdat we niet goed nadenken. Zo is het één ding om te beweren: ,,De kunst is niet snel en hyperig, [..] ontwikkelt zich langzaam, en alleen wie er moeite voor wil doen [..] zal er iets aan hebben.'' Ik geloof wel dat dit klopt, maar waaróm klopt het? Wat ís de `bestaansreden voor kunst', waarom is ze traag en waarom moet het publiek er zoveel moeite voor doen, en om wat voor moeite gaat het eigenlijk? Wie iets aan de eftelingisering van de museale kunsten wil doen, zal met antwoorden moeten komen.

Ik wil één deelantwoord geven, over de Centraal Museum tentoonstelling FFF Videoshow, omdat ik daar met mijn neus bovenop zit als huisfilosoof van het Centraal Museum. (Zo weet ik bijvoorbeeld dat er helemaal niet naaktzwemmend naar video's wordt gekeken, zoals Wesseling beweert.)

Hier ligt de bron van de huidige eftelingisering van de musea: in het gegeven dat (museale) kunstwerken zich in de ruimte van de beschouwer moeten bevinden willen ze deze ertoe kunnen verleiden om die ruimte te verlaten en mentaal de betekenis van het werk (de afbeelding, bijvoorbeeld) binnen te gaan. Ook de artistieke kwaliteit van een kunstwerk laat zich hier aflezen: aan de manier waarop kunstwerken én in de ruimte van de beschouwer vertoeven én aan de beschouwer een elders voorhouden. De ruimte van de museumzaal wordt actief ingezet door museale kunsten omwille van een gedegener beschouwing. Ieder kunstenaar weet dat dit erbij hoort. Museale kunstvormen vormen de spil van deze overgangen van ruimten.

Dat hier de bron van de eftelingisering ligt, wil echter nog niet zeggen dat de eftelingisering van musea onontkoombaar is. Eftelingisering treedt immers pas op wanneer de ruimte waarin een werk geëxposeerd wordt geen enkele inhoudelijk relevante band meer aangaat met het werk, noch het werk met die ruimte. In zo'n situatie kan de ruimte alle aandacht voor zichzelf opeisen; of: men kan met zo'n ruimte dingen doen die leuk zijn en publiek trekken, maar die helemaal niets met die kunst van doen hebben: het publiek komt dan als het ware om de verkeerde redenen naar de tentoonstelling. `En wat dan nog?' denkt u misschien, `als de mensen maar binnenkomen en met deze kunstwerken geconfronteerd worden'. Akkoord, maar een beetje misplaatst is een dergelijke instrumentalisering van de museale ruimte wel. Dus ik deel de grondgedachte achter Wesselings kritiek dat musea met hun kunst publiek moeten werven en niet met feestjes en partijtjes die daar niets mee te maken hebben.

Maar bezie het dilemma van de huidige generatie tentoonstellingsmakers: geprojecteerde beelden spelen een cruciale rol in de huidige samenleving en het ligt voor de hand dat musea daar iets mee doen. Maar wat? De museale ruimte is de laatste waar ze zich in zullen kunnen bevinden.

Om dan de zalen tot activerende ruimten om te toveren die het lichaam van de beschouwers prikkelen (spekgladde vloeren, geuren, kiezels en zand op de grond, een bad om in te `floaten') en hen zo alert op de projecties maken (iets wat de films zelf niet kunnen omdat ze zich niet in die ruimte bevinden), lijkt mij vooral een moedige poging, zeker ook gezien de geringschatting die de geprojecteerde hoge en lage kunsten in zekere elitaire kringen ten deel valt. De vraag is of de tentoonstellingsmaker erin geslaagd is de installatie-achtige vormgeving en de vertoonde films op een artistiek relevante wijze op elkaar te betrekken. Maar beter een keer geschoten dan alleen maar gemopperd.

De uitdaging is, om hiervan te leren en te proberen een volgende keer verder te reiken. Kunstcritici en kunstfilosofen moeten hier een helpende hand toesteken.