Minachting voor het publiek 2

Het is echt waar, de Nederlandse musea voor moderne kunst zijn pardoes in een crisis beland. Wie de debatten volgt, leest telkens weer hetzelfde: dat de schoen wringt bij de problematische verhouding tussen kunst en economie. Hoe om te gaan met het onvermijdelijke `marktdenken'?

Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw is een kentering gaande die ertoe heeft geleid dat de cultuur van nu sterk onderhevig is aan sociaal-economische ontwikkelingen. De dominantie van het kapitalisme beheerst ons dagelijks leven in allerlei opzichten, niet in de laatste plaats in de beeldcultuur. Het bedrijfsleven heeft een stevige greep op... ja, eigenlijk op alles, tot de kunst en wetenschap toe. Heeft de kunst zich, om aan dit commerciële geweld te ontkomen, effectief verscholen in het bastion van de musea? Was het maar waar, zal Janneke Wesseling waarschijnlijk denken. Zij werpt zich op als de spreekbuis van de conservatieve kaste, door de positie van de traditionele criticus in te nemen: Stop! roept ze, en Ga terug! Het marktdenken is een val!

Terug? Naar de 20ste eeuw? Naar een maagdelijk witte museumzaal, bijvoorbeeld met Barnett Newmans magistrale schilderij `Who's afraid of red, yellow and blue'? Kan dat wel? Kunnen musea voor moderne kunst de actuele cultuur zomaar uit de agenda schrappen? En als ze dat niet willen, hoe kunnen ze zich dan verhouden tot de vercommercialisering die zich in voortschrijdende mate binnen de kunst aftekent? Musea hebben op drie verschillende manieren te maken met het marktdenken: in de contacten met sponsors, in de roep om marketingstrategieën én in hun meest essentiële missie: de overdracht van kennis en begrip omtrent de kunst en cultuur van toen en nu.

De infiltratie van de markt in de cultuur, dat is een fenomeen dat uitnodigt tot feitelijk en empirisch onderzoek. Wat de musea betreft zou een dergelijke onderzoekende houding kunnen resulteren in tentoonstellingen die bijdragen aan de opinievorming van professionals en publiek. Musea zouden eens lekker moeten gaan jongleren met de kunst en cultuur van nú, in plaats van zich over te geven aan uitingen van gemakzuchtig populisme à la Kamargurka (Stedelijk Museum Amsterdam) en Winnie the Pooh (binnenkort in Museum Boijmans Van Beuningen). Dergelijke initiatieven wijzen wel op een crisis in de denkrichting van deze musea, maar verder schieten we er bar weinig mee op. Musea zouden het debat over de verhouding tussen kunst en economie juist niet moeten schuwen, en het risico moeten nemen om tentoonstellingen met een sterke, inhoudelijke grondtoon te maken, die een actuele relevantie bezitten. In het beste geval is een goede tentoonstelling dan een vehikel om het denken over de effecten van het kapitalisme op de cultuur verder aan te scherpen. In het slechtste geval tonen goedbedoelde missers aan dat het ook nog béter moet kunnen. Ons wacht wellicht een levendige tijd in Nederland Museumland.