Lichtjaren

Eerst hebben ze van alle blokken een hoge toren gebouwd die een paar dagen in de kamer mag blijven staan. Dan leest hij haar voor. Maar wanneer Paulus de Boskabouter ontdekt dat het zieke mensje in het bos eigenlijk een olifantje is dat Wawwa heet, komt met piepende remmen een vrachtwagen tot stilstand, vlak voor hun huis. Ze springen van de bank.

De gele truck heeft een paalachtige constructie met een vierkant bakje op zijn rug. In dat bakje zit een man. Het blijkt een zweefbak te zijn, want als de paal zich loom uitstrekt naar de bolvormige lamp van de straatlantaarn, gaat het bakje met de man erin mee omhoog.

,,Kapot'', zegt Sofie, en veegt over de bewasemde ruit. ,,De jongens schoppen er altijd tegenaan. En er is wel eens een bal van mij op geknald.''

De man draait iets los. In uiterste concentratie tilt hij de glazen kap op en blijft er even, boven zijn hoofd geheven mee staan. Hij legt hem naast zich en schroeft ijverig verder. Voor het peertje komt een ander in de plaats, dat hij vervolgens controleert: en ja, er gloeit een lichtje op.

Het duurt maar een paar minuten, dan lijkt de lantaarnpaal weer op de andere in de straat. De taak is volbracht. De staak met het bakje vouwt zich behaaglijk terug tegen de vrachtwagen die weg ronkt en ook de man meeneemt, met wapperende haren.

,,Dat lijkt me wel een leuk beroep'', zegt Sofie.

Het zijn woorden naar zijn hart. Hij ziet zich al op het schoolplein haasten, voorbij alle wachtende ouders met zorg- of zwangerschapsverlof: ,,Werk jij weer? Goed zeg! Wat doe je precies?'' Om dan in een paar woorden zijn missie te schetsen, waarvan de maatschappelijke relevantie niemand zal ontgaan.

Terug naar de bank en Paulus de Boskabouter struikelt hij over de blokkentoren die in elkaar stort. Op handen en knieën kruipt hij tussen de ravage. Volgt met zijn blik de gympies, legging, blauwe sweater, hals en haren, en kijkt hij zijn dochter zwijgend aan.

Tranen wellen uit haar ogen. Ze veegt ze weg met de rug van haar hand.