Kok moet échte verantwoording afleggen

Bijna zeven jaar na het drama van Srebrenica probeert premier Kok nog steeds recht te praten was krom is, meent Robert van de Roer.

Al een week speelt zich een bizarre dans in saamhorigheid af tussen kabinet en parlement over de val van Srebrenica en de massamoord op zeker 7.500 moslimmannen in juli 1995. Kabinet en regeringspartijen reageerden eerst opgelucht op het rapport van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) over het debacle. Premier Kok zei: ,,Ik heb op geen enkel moment mijn rol verzaakt.'' En: ,,Ik kijk iedereen recht in de ogen, ook na de lezing van dit rapport.'' Dinsdag trad Kok en met hem het hele kabinet alsnog af: ,,De Nederlandse regering als lid van de internationale gemeenschap'' was ,,tekortgeschoten'', al was Dutchbat ,,niet verantwoordelijk''. Politici tuimelden over elkaar heen om Kok en ,,zijn indrukwekkende verklaring'' te prijzen. Zij spraken gewichtig over het nemen van verantwoordelijkheid, en over het verschil tussen verantwoordelijkheid en schuld.

Hier is sprake van een misverstand: het kabinet is afgetreden, maar heeft inhoudelijk nog altijd geen verantwoordelijkheid genomen. Voor welk concreet falen het kabinet exact is opgestapt, maakte Kok niet duidelijk: hij gooide het feilen van drie kabinetten op één hoop, onderschreef ,,het NIOD-rapport op hoofdlijnen'', en dat was het dan. Maar wat rekent de premier zich zelf precies aan? Wat valt andere bewindslieden te verwijten? En wat leren we hiervan? Mogen de Nederlandse bevolking èn die van Srebrenica enige zelfreflectie verwachten, bijna zeven jaar na dato? Als het aan Kok, de PvdA en de VVD had gelegen, was het voor de verkiezingen zelfs helemaal niet meer gekomen tot een Kamerdebat over het NIOD-rapport; na druk van andere partijen wordt het nu toch volgende week gehouden.

Voor verantwoordelijkheid nemen komt meer kijken dan aftreden alleen. Daarvoor is nodig een ondubbelzinnige afkeuring van het eigen optreden. Zo behoren leiders verantwoording af te leggen. Dit vergt een vorm van schuld bekennen. Zo'n erkenning is vroeg of laat onvermijdelijk, wil Nederland met zichzelf en met de nabestaanden van `Srebrenica' in het reine komen.

De feiten zijn daarvoor ernstig genoeg. Met alle begrip voor verzachtende omstandigheden, zoals de onderbezetting en zwakke bewapening van Dutchbat, het grotere verband van de falende neutraliteitspolitiek van de Verenigde Naties en zelfs goede wil van de Nederlandse regering en militairen: Nederland stond in Srebrenica aan de verkeerde kant van de lijn, een lijn die een respectabel lid van de internationale rechtsorde niet behoort te overschrijden. Nederland maakte zich, door niets te doen tegen de agressie van oorlogsmisdadiger Mladic, medeschuldig aan diens agressie. Hij is de hoofdschuldige, die al ruim vóór Srebrenica zo'n patroon van het scheiden, deporteren en doden van moslims had gemaakt, dat het iedereen in Den Haag in de allerhoogste alarmfase en tot daden had moeten brengen.

VN-secretaris-generaal Annan oordeelde eind 1999 dat de VN zich in Bosnië tot en met `Srebrenica' hadden schuldig gemaakt aan appeasement (concessiepolitiek), door te blijven onderhandelen met de Bosnisch-Servische agressor. Een beladen term, ontleend aan wat de Britten en de Fransen ooit deden: Tsjechoslowakije weggeven aan Hitler. Nederland maakte zich in Srebrenica als voorhoede van de wereldgemeenschap medeschuldig aan appeasement. De facto gaf Nederland in de persoon van overste Karremans Srebrenica weg aan Mladic. Misschien niet opzettelijk en onvoldoende doordrongen van het uiteindelijke gevaar, maar het gebeurde toch. Annan trok het boetekleed aan voor de desastreuze neutraliteitspolitiek van de VN in Bosnië, die culmineerde in `Srebrenica', en zwoer dit beleid af. Het is nu de beurt aan Nederland een vergelijkbare stap te zetten.

Voorlopig heeft nog geen leider op het Binnenhof zelfs maar zijn schaamte uitgesproken voor de Nederlandse rol in Srebrenica. Met uitgebalanceerd moreel leiderschap heeft dit weinig uit te staan. Zolang Nederlandse leiders deze zelfreflectie blijven verdringen, zal het trauma Nederland blijven achtervolgen.

Het aftreden van het kabinet komt zeseenhalf jaar te laat. Het is ook zeer de vraag of het NIOD-rapport wel de juiste aanleiding is. Het rapport biedt vrijwel geen nieuwe feiten over de val van de enclave.

Premier Kok, de verantwoordelijke ministers Van Mierlo en Voorhoeve hadden destijds na Srebrenica al moeten aftreden wegens hun betrokkenheid bij de falende neutraliteitspolitiek van de VN en hun inertie tijdens en na de val. Toen de Bosnische Serviërs de enclave onder de voet liepen, bekommerden de Nederlandse blauwhelmen zich hoofdzakelijk om eigen lijf en leden, en het leiderschap van Kok, Van Mierlo en Voorhoeve bracht daarin geen verandering. Kordate regie van de pacifist Kok in deze oorlogssituatie ontbrak. Dagen van crisisoverleg in de ministerraad met het gebruik van grote woorden als ,,lotsverbondenheid'' resulteerden vooral in verlamming. Die spoorde met de verlamming van Dutchbat, die evenmin vanuit het VN-hoofdkwartier in Zagreb werd doorbroken. En dat terwijl op de dag van de val van de enclave Voorhoeve en Van Mierlo al de vrees uitspraken dat de moslimmannen zouden worden vermoord. Door onvoldoende weerwerk te bieden, werden ook de Nederlandse soldaten zo nalatig dat ze medeschuldig werden aan het verdere verloop van de gebeurtenissen.

Kok, Van Mierlo en Voorhoeve bleven en verscholen zich achter de komst van het NIOD-rapport. Alsof het NIOD een beter oordeel over hun functioneren kon vellen dan zijzelf. Het was en is een staaltje politieke normvervaging: verantwoordelijkheid of ontslag nemen behoort een minister te doen als hij niet meer kan instaan voor een smetteloze of geloofwaardige uitoefening van zijn ambt, zelfs als hij geen fout heeft gemaakt. Onvoldoende actief optreden of nalatigheid bij genocide, hoe integer de minister in kwestie ook, is een bezoedeling van het ambt van iedere bewindsman.

Het NIOD-rapport geeft op de belangrijkste vraag geen sluitend antwoord: had Dutchbat dit alles kunnen voorkomen? Het NIOD taxeert dat de Nederlandse VN-soldaten van UNPROFOR geen verzet konden bieden: dit ,,lag niet in de lijn van het mandaat'' en Dutchbat was ,,militair gesproken kansloos''. Vervolgens spreekt het NIOD zichzelf tegen: ,,Op politiek-psychologisch niveau was niet ondenkbaar geweest dat de VRS (Mladic) toch, ondanks alles, zou zijn teruggeschrokken voor een gevecht waarbij aan de zijde van UNPROFOR slachtoffers zouden vallen.'' Het is tegenstrijdig en een formalistische aberratie van de werkelijkheid: er is geen enkel mandaat van de VN dat het redden van mensenlevens verbiedt.

Het NIOD ontpopt zich bijna als advocaat van Dutchbat. NIOD-directeur Blom meende dat de bataljonsleiding ,,geen andere keuze dan meewerken'' met Mladic had. Plaatsvervangend commandant Franken vreesde voor het lot van de mannen, maar liet het belang van de vrouwen en kinderen ,,zwaarder wegen''. Afvoer van de mannen moest niet worden vertraagd. ,,Pijnlijke maar bewuste keuzes'', aldus Blom, gingen over leven en dood, en werden niet in Den Haag gemaakt, maar door de verantwoordelijke militairen ter plekke.

Bijna zeven jaar later probeert Kok nog steeds recht te praten wat krom is: de Nederlandse regering is verantwoordelijk, maar Dutchbat niet. Het is in strijd met de situatie ter plekke. Een andere conclusie is alleen mogelijk als er een waslijst met Nederlandse pogingen zou zijn geweest om moslims te redden. Excuses aan de nabestaanden voor de Nederlandseonmacht en schijnveiligheid zijn dringend gewenst. Noodzakelijk is eveneens een parlementaire enquete, zodat Nederlandse leiders lessen leren en onder ede alle feiten op tafel komen. Dit hoort bij verantwoording afleggen. Pas daarna kan Nederland de geschiedenis `recht in de ogen kijken'.

Robert van de Roer is redacteur van NRC Handelsblad.