`Ik vond blindelings alles wat Jeroen Brouwers vond'

Ronald Giphart, auteur van het boekenweekgeschenk 2003, smeet Jeroen Brouwers van het voetstuk, maar blijft hem bewonderen.

Toen de Stichting CPNB hem belde met de vraag of hij het boekenweekgeschenk van 2003 wilde schrijven, was Ronald Giphart net begonnen aaan een novelle. ,,De dood speelt er een grote rol in – dat sluit dus keurig aan', zegt hij. Na `de liefde' (2002) is komend jaar `de dood' het thema van de boekenweek. Een erg fraai thema, vindt Giphart. ,,De driehoek Liefde, Literatuur en Dood – daar draait het om, precies zoals Brouwers zegt.'

De eervolle opdracht zorgt ervoor dat Giphart het komende half jaar niet hoeft op te treden. Er zullen dus even geen scholieren zijn die tegen hem zeggen: `Meneer Giphart, u bent mijn Jeroen Brouwers. Ik denk over u zoals u over Jeroen Brouwers dacht.' In de afgelopen jaren is dat Giphart tot zijn genoegen wel overkomen. Nog even, beseft hij, en Giphart zal in de klassieke scène van de literaire vadermoord opnieuw een rol spelen, ditmaal die van vader. Met een opdracht als die van de CPNB is dat een kwestie van tijd. ,,En zo hoort het', zegt hij.

Zijn eigen literaire vadermoord pleegde Giphart in 1993, in zijn tweede roman Giph. Slachtoffer was Jeroen Brouwers, motief diens Winterlicht uit 1984. Uit nevelen van walging en drank, verval en vergetelheid doemt in Winterlicht de schim op van Jacob Voorlandt, baardig en miskend genie, tevens literaire vader van ene Jeroen Brouwers, voor wie alles vergeefs is, behalve dat ene – een onvergetelijk boek schrijven.

,,Op het Baarns Lyceum', legt Giphart uit, ,,hadden mijn vrienden Jean-Marc van Tol, Bert Natter en ik de literatuur geadopteerd om ons af te zetten tegen anderen. Zo besloten we op een dag een schoolkrant op te richten en onze drie favoriete meisjes, Daphne, Jacqueline en Sandra, te vragen mee te doen. Vanaf dat moment gingen wij ons gedragen als schrijvers. We zagen dat als een dagtaak.

,,Een van de plannen was om meer van Nederlandse literatuur te weten te komen dan onze leraar Nederlands. Daartoe richtten we in mijn kamer een hele wand in met het Periodiek Systeem der Schrijvers, ons persoonlijke literaire kaartsysteem. Mijn favorieten waren Maarten 't Hart en Jan Siebelink, die van Bert Cees Nooteboom en Jeroen Brouwers – Bert was mij altijd een beetje voor. Maar ik kocht meer boeken dan hij en op een gegeven moment dus ook het mooi gebonden Winterlicht. Wel erg duur, vond ik toen: ƒ34,90.

,,Winterlicht is een dood- en doodernstig boek. Vrij puberaal eigenlijk, een schrijver die zo serieus uitlegt hoe een schrijver zich behoort te gedragen en aan welke regels hij moet voldoen. Maar toen beschouwden wij dat allemaal als heilig. Winterlicht was voor ons een oerboek. Ik had het altijd bij me, het zat in mijn tas tussen mijn studieboeken. Hele passages kende ik uit mijn hoofd, Bert en ik konden praten in Winterlicht-citaten.

,,Onze letteren-muur werd al gauw een Winterlicht-muur. We zijn dat boek helemaal gaan navlooien op symbolen en metaforen, gingen motieven turven; wolken, kelders, cirkels, zwarte kraaien. En de peer, er zitten heel veel peren in. Nu zie ik hoe ongelooflijk plat Brouwers soms bezig is geweest: ergens refereert hij aan dat perenmotief met het woord periferie. Of hij komt met peren aan in een volstrekt peerloze situatie: dan gaat het over een meisje dat lacht en haar tanden hebben de kleur van het vruchtvlees van een peer.'

Het kan niet anders, zegt Giphart, of na zo'n periode van absolute adoratie komt absolute verwerping. ,,Zoiets gaat geleidelijk, maar het is onomkeerbaar. De eerste versies van mijn debuut Ik ook van jou waren min of meer in Brouwers' stijl geschreven – vol metaforen over de zelfverwonding van het meisje Reza; de kleur rood was er een belangrijke lijn in. Maar ik kwam niet verder en op een gegeven moment heb ik een lange brief geschreven aan het meisje dat model stond voor Reza. Die brief was veel vrolijker, gewoner en viel bij mijn vrienden veel meer in de smaak. Ik besloot in die stijl verder te gaan. Licht, en met humor. In Winterlicht staan misschien twee grapjes, de rest is dodelijke ernst. Brouwers is echt een Duitser, hij zoekt de ernst in de diepte. Ik bleek zelf meer een Fransman; die zoeken de ernst in de oppervlakte, in de lichtheid.

,,Wij vonden blindelings alles wat Brouwers vond. Dat Tom van Deel goede poëzie schreef, bijvoorbeeld. En dat schrijven lijden was, iets voor `meneren en mevrouwen', iets wat je alleen kon doen met veel drank en een heftig, treurig leven vol doorwaakte nachten. Maar al schrijvend ontdekte ik dat dat helemaal niet klopte. Ik vond schrijven leuk en aangenaam, ik deed het voor mijn plezier. Daarbij leek het mij helemaal niet ter zake doen hoe een boek tot stand komt, makkelijk of in een worsteling. Het is het boek zelf, dat telt.'

In Giph (1993) laat Giphart, na inleidende bespiegelingen over appel- en peervormige borsten, Brouwers uiteindelijk van zijn voetstuk vallen – vanzelfsprekend tijdens een doorwaakte nacht vol drank. ,,Ik heb Brouwers een keer ontmoet en toen viel ik hem aan op de dogma's in Winterlicht. Zijn antwoord was een ongelooflijke dooddoener: `dat zeggen mijn personages, jongen, dat zeg ik niet', zei hij, echt een klap voor mijn kop. Daarop besloot ik, dat als Brouwers een personage Brouwers opvoert, het mij vrijstond dat ook te doen. Tegelijk kon ik mijn eigen dogma's tegenover de zijne zetten.'

Tot Gipharts tevredenheid noemde Brouwers de vadermoord in een interview met het Algemeen Dagblad `een eerbetoon'. Op zijn beurt bladert Giphart nog altijd ,,minstens een keer per jaar' in Winterlicht. ,,Na die fase van absolute verwerping komt natuurlijk het gezonde stadium, die waarin je nuchter ziet wat goed is en wat niet. Ik bewonder Brouwers nog steeds om zijn onvoorwaardelijke overgave aan het schrijverschap, om Bezonken Rood, het boek waarom we ons hem zullen herinneren, en om zijn brieven en notities, zoals de twee delen Kroniek van een karakter. Daarnaast staat hij wat stijl betreft nog altijd op eenzame hoogte, hoewel het me telkens weer deugd doet als ik stijl- of taalfouten bij hem aantref – in Winterlicht haalt hij bijvoorbeeld `die' en `dat' door elkaar. Ha, gelukkig, denk ik dan. Hij is toch menselijk.'

Jeroen Brouwers: Winterlicht. De Arbeiderspers (niet meer leverbaar)