Ik denk dat hij loog

De schilder Edgar Degas haatte de natuur en prefereerde het stadsleven van hoeren en werkvrouwen. Hij schilderde `bloot vlees, echt, levend vlees', families, historiestukken . Alles.

Het is eerste paasdag, tweede echte lentedag, een perfecte dag om te gaan wandelen. De zon, dat alziende oog van licht, schijnt op de Betuwe. De Betuwe is mooi, de Betuwe staat in bloei. Pasgeboren lammetjes lopen schokkerig rond op dagverse pootjes. Het zonlicht waakt over hun welbevinden. Vanachter prikkeldraad hinnikt een pony uitnodigend naar ons, wij lopen door. Scheel van verlangen kijkt hij ons na. In de verte duikt een buizerd neer op zijn prooi: heeft hij een muis gevangen? Een tergend-jong konijn? Toch een chipszakje? We zullen het nooit te weten komen, onze ogen leggen het deze keer af tegen de afstand. `Zien, horen en voelen zijn wonderen' schreef de Amerikaanse ziener-dichter Walt Whitman in Leaves of grass, `en elk deel en elke vezel van mij is een wonder' voegde hij daar royaal aan toe. Onze magen vragen inmiddels om een plaatselijk wonder en krijgen dat ook: asperges, vergezeld van een fles gekoelde Bourgogne. Nadenkend gestemd door de wijn, praten we langdurig over het leven. Het leven is mooi. Whitman: `Hoe wonderlijk en tevens: hoe reëel!/ De goddelijke aarde onder onze voeten, boven ons hoofd de zon./ Zie de aardkloot wentelen...'

Maar als je over wonderen gaat praten, in de natuur, de liefde, kunst, en jezelf, dan zijn de verschrikkingen (eveneens in de natuur, de liefde, kunst en vooral jezelf) niet veraf. En dan duurt het niet lang voordat het ene droevige verhaal het andere opvolgt en voor je het weet, praat je toch weer over het treurigste van alle triestmakende onderwerpen: de wereldpolitiek. Zie de aardkloot zich in een verkwikkend bloedbad wentelen. Ik vertel dat ik gelezen heb dat tijdens een brand op een school in Mekka meisjes levend verbrand zijn omdat de religieuze politie, dat stelletje kloteklappers, hen terug het brandende gebouw in stuurde als ze onfatsoenlijk gekleed waren. Weg is de idyllische stemming aan tafel. De woede maakt onze tongen scherp. Als schelden – taalvoodoo – werkt, krijgt de reli-politie in Mekka vannacht een kudde nachtmerries, bereden door stomdronken wraakzuchtige amazones, op zijn armetierige mannelijkheid afgestuurd. De wijn is hier trouwens ook op. Laurie Anderson zong het al: `Paradise is exactly like/ Where you are right now/ Only much, much/ Better'.

Ondertussen is de avond gevallen en kleurt de lucht flamingoroze. Het is een overweldigend gezicht, bijna te veel van het goede, bijna misselijkmakend. Maatvoering is niet de sterkste kant van de natuur. De special effects walsen als een bulldozer over je heen.

De schilder Edgar Degas hield niet van de natuur, hij vond haar te Monet-achtig. ,,Hoe kan men het hier uithouden!'' was zijn bitse commentaar tijdens een uitstapje naar het platteland. Naar zijn zin was er te veel frisse lucht, hij hield van de stad, maakte lange wandelingen door de straten van Parijs, altijd alleen.

Twee dagen na Pasen reis ik naar Den Haag, naar het Gemeentemuseum, voor een tentoonstelling over Degas en zijn tijdgenoten, meest impressionisten, maar ook een realist als Courbet en een dromer als Moreau.

Die impressionisten, bij wie de moderne kunst begonnen is en voor de meeste mensen nog steeds eindigt, zijn zo bekend geworden dat je hun werk eerder van een affiche of koektrommel leert kennen dan als origineel. Van Degas zijn z'n danseresjes wereldberoemd en z'n pastels van hoeren en werkvrouwen. Wegens de rauwheid van die werken is hem regelmatig vrouwenhaat verweten, veel tijdgenoten, stuk voor stuk mannen trouwens, vonden de manier waarop hij vrouwen portretteerde zeer wreed. Joris-Karel Huysmans schreef in een kritiek dat Degas' pastels van vrouwen die zich aan het wassen zijn of hun haar kammen ,,de gedachte aan seksuele onthouding oproepen en afschuw inboezemen''. Huysmans schreef er overigens met nauwelijks verholen wellust over: ,,Er zit in deze pastels iets van het stompje van een invalide, van de strot van een poetsvrouw, van het gewaggel van iemand zonder benen, een hele serie houdingen die de vrouw eigen zijn, zelfs als ze jong en knap is: bevallig wanneer ze ligt of staat, maar kikker- en aapachtig wanneer ze zich (...) moet bukken om haar vetrollen te maskeren bij dit roskammen.'' Huysmans bekent waardering te kunnen opbrengen voor Degas' poging `bloot vlees, echt, levend vlees dat door een wasbeurt is overvallen' uiterst realistisch vast te leggen en noemt hem een groot, eenzaam kunstenaar.

Het eerste schilderij van Degas dat ik in het museum zie, is het portret van de familie Bellili uit 1858-1867. Moeder, vader, twee dochtertjes. Laura Bellili was Degas' tante, de zus van zijn vader. Haar vader, Hilaire Degas, van wie in Den Haag ook een portret hangt, had geweigerd haar met haar jeugdliefde te laten trouwen en huwelijkte haar uit aan de Italiaanse Baron Gennaro Bellili.

Wegens politieke activiteiten zou Bellili in 1852 halsoverkop Napels moeten verlaten. Hij vestigde zich met zijn gezin in Florence, waar Laura in een depressie verzonk. Edgar, die erg dol op zijn tante was, en Gennaro schijnen niet goed met elkaar over weg gekund te hebben. Iets daarvan wordt in het schilderij weerspiegeld. Gennaro zit aan de rechterkant van het doek in een leunstoel, zo dicht tegen de open haard aan dat het lijkt alsof de kunstenaar ernaar verlangde hem in rook te zien opgaan. Hij staart met een half oog naar de krant die voor hem op tafel ligt en schenkt geen enkele aandacht aan zijn gezin. Zelfs voor het schilderij neemt hij blijkbaar niet de moeite belangstelling voor hen te veinzen. Laura staat aan de linkerkant van het schilderij, geflankeerd door de twee dochtertjes, Giovanna en Giulia, haar mantel rijst als een zwarte piramide van melancholie tussen hen op. Ze kijkt niet naar haar man of kinderen, maar naar iets buiten het schilderij dat haar ook geen vreugde brengt, gezien de sombere uitdrukking op haar gezicht. Op dit schilderij heerst de eenzaamheid van het hart. Achter Laura hangt een kleine zorgvuldig ingelijste tekening van grootvader Hilaire, de aanstichter van al deze huwelijksvreugd. Degas zelf zou, tot zijn grote verdriet, nooit trouwen. Hij richtte al zijn aandacht op de kunst.

Voordat hij aan een schilderij begon, maakte Degas veel schetsen. Hij construeerde het doek zorgvuldig naar aanleiding van die talloze schetsen, kleurschema's en voorstudies. Ook maakte hij honderden kopieën van oude meesters, vooral uit de Italiaanse renaissance, in de hoop door hun lijnvoering en kleurgebruik te imiteren achter het geheim van hun meesterschap te komen. Hij wilde hun talent door zijn handen voelen gaan.

Het schilderij van de familie Bellelli draagt hiervan de sporen. Het roept herinneringen op aan schilderijen van Velazquez, van Vermeer en anderen, maar het is modern in de wijze waarop Degas de spanningen tussen zijn familieleden verbeeld heeft. Er heerst geen harmonie op het doek, niet in de compositie en niet tussen de geportretteerden. Het is een intense studie van onbehagen.

Onlustgevoelens ontbreken bij het schilderij van Jean-Léon Gérôme dat een zaal verder hangt. Gérôme schilderde het doek tien, twintig jaar voordat de Bellilli's vereeuwigd werden, maar mentaal is het lichtjaren verwijderd van het fijnzinnig psychologisch inzicht van Degas. Jonge Grieken bij het hanengevecht heet het schilderij en het toont een vrijwel naakte jonge man en vrouw die tegen een graftombe aanleunen. Op de achtergrond strijden zee en lucht om de eer van het blauwste blauw. De jongen hitst twee hanen op tot een gevecht, het meisje maakt een schroomvallig gebaar. Door die schroom draait ze (dat is toevallig) haar onderlichaam, met de kale venusheuvel als grootste blikvanger, recht naar de toeschouwer toe. Haar huid is marmerglad, onkwetsbaar als die van een godin en ook haar gezicht lijkt op een half tot leven gewekte versie van een Grieks beeld. Ze is geen mens, ze is een ideaal, zonder een laaghartige obsceniteit als lichaamsbeharing. Dat is in feitelijke tegenstelling tot de stijl van het schilderij, die verder uiterst realistisch is: elk steentje, twijgje, hanenveer worden nauwgezet weergegeven. De Franse staat kocht het doek in 1873 voor 20.000 francs (een Monet kostte in die tijd een paar honderd francs).

Gérôme was een gevierd kunstenaar, hij gaf les aan de academie, hij zat in de jury van de jaarlijkse Salon, werd benoemd tot officier in het Legioen van Eer en stond dus voor alles waar de Impressionisten flink de pest aan hadden. Als lid van de Salonjury deed Gérôme zijn uiterste best de Impressionisten van deelname uit te sluiten, hun werken werden schandalig gevonden. Zij lieten zich niet inkaderen door de opvattingen van de heersende klasse over goede smaak en zuiverden zinnelijke beelden niet uit tot schijnheilige verzinsels over naakte goden, maar toonden het dagelijkse leven van gewone mensen. Manets Olympia, uit 1863, was geen godin, maar een prostituee die de toeschouwer aankeek met een blik van mot-je-wat, geile lebber? Dat shockeerde. Het vertrouwde beeld van schoonheid werd ingeruild voor iets dat afstootte, schandalig was in zijn directheid. En mannelijke toeschouwers (dat is eigenlijk dubbelop; de toeschouwer werd verondersteld een man te zijn) confronteerde met een lange kleverige geschiedenis van voyeurisme.

In de moderne kunst zou shock op shock op shock volgen (tot het sjokken werd). Van Manets hoer op bed naar Tracey Emin, die zo'n 137 jaar later haar vuile, door zweet, bloed en zaad besmeurde bed tentoonstelde, loopt een directe lijn. Alleen is de waardering voor Olympia in die dikke eeuw van schok naar schoonheid verschoven en vraag ik me deerlijk af of Emins bed een waarde heeft die de schok te boven zal komen. Hete handelswaarde, misschien?

De breuk met de traditie die de Impressionisten forceerden stond niet los van de maatschappelijke ontwikkelingen. De wereld veranderde voor hun ogen, wetenschap en techniek drukten er met grote nadruk hun stempel op. Het leven leek steeds sneller, steeds maakbaarder te worden en de mens een koene schepper naast God. Het verheerlijken van het verre verleden in historische schilderijen paste daar niet bij. De huidige tijd, de huidige mensen moesten weergegeven worden, met een snelle, lichte verftoets, die de verlangende spoed van de schilder zou verraden. Het heden moest getoond worden anders was het alweer voorbijgeroetsjt! De Impressionisten wilden zintuigen activeren, geen conventies.

De keuze voor dagelijkse, banale onderwerpen werd wellicht ook ingegeven door een knagend gevoel van onbehagen bij de kunstenaar dat, ondanks alle nieuwe technische mogelijkheden en wetenschappelijke verklaringen, de mens helemaal niet onoverwinnelijk bleek te zijn, geen snelheidsmonster, maar klein, naakt, kwetsbaar bleef. En dat techniek en wetenschap geen afdoende antwoorden zouden kunnen bieden op vragen naar leven, liefde, lijden en dood.

Interessant aan het werk van Degas is dat het zich op het breukvlak van deze ontwikkeling bevindt. Degas kon, in tegenstelling tot de andere Impressionisten, wel waardering voor de historieschilderkunst opbrengen. Hij beoefende het genre zelf rond 1860/'65, met weinig succes, terwijl hij tegelijkertijd veel moderner en sprankelender werk maakte, van jockeys op de racebaan. Manet bespotte hem om zijn wankelmoedigheid, maar Degas, koppig, stuurde zelfs een historiestuk in voor de Impressionisten-tentoonstelling. Hij was een lastpak die met bijna al zijn vrienden ruzie maakte en op het eind van zijn leven zelfs met zijn beste vriend, Ludovic Halévy, brak wegens de Dreyfus-affaire (Degas was antisemiet).

Degas schilderde vrijwel nooit buiten, `en plein air', iets dat meestal met het Impressionisme wordt verbonden. Hij gaf mensen bij voorkeur in hun natuurlijke omgeving weer, in de beschutting van hun huis of op hun werkplek, omdat hij vond dat het decor veel toevoegde aan de karaktertekening van zijn personages. Wel koos hij zijn onderwerpen uit het gewone dagelijks stadsleven: zijn familie en vrienden, werkvrouwen en bordeelscènes of de muziek-, dans- en theaterwereld die hem zeer aantrok (de kunstmatigheid van de stad werd in het theater weerspiegeld).

Zijn manier van schilderen is aanmerkelijk behoudender dan die van de andere Impressionisten, minder vlot en losjes, kalmer, klassieker dan zij.

Degas was een intens observator van mensen. Hij was vooral geïnteresseerd in het vastleggen van iemands houding, blikrichting, gebaren. Die gebaren verbonden degene die afgebeeld werd immers met de ruimte om hem heen, wat eenheid bracht in het schilderij. Wegens die voorliefde voor bewegingen was de stap om danseressen en musici te gaan schilderen natuurlijk klein.

Zelf verklaarde Degas dat zijn onderwerpen voor hem slechts een excuus waren om te schilderen, het ging hem louter om de beweging, de kracht van de lijnen, de betovering van de kleur.

Dat is een mooi en hartstikke modern verhaal, maar ik denk dat hij loog. Wie Degas' werk bekijkt, vooral zijn portretten van vrouwen, wordt getroffen door het grote verlangen dat er uit spreekt, dat van de observator, de spijtige buitenstaander, degene die de zeemeerminnen wel kan horen zingen, maar niet durft te geloven dat ze ooit voor hem zullen zingen, die ernaar verlangt om deel te nemen, hunkert naar intimiteit.

Misschien loog hij ook niet en kozen zijn woorden slechts een kleine omweg, stond beweging uiteindelijk voor iets anders, dat helemaal niet zo abstract en waardenvrij was, getuige deze uitspraak: ,,Men moet steeds alles bekijken (..) De bewegingen van de dingen en de mensen verstrooien en troosten. Als de bladeren aan de bomen niet zouden bewegen, hoe troosteloos zouden de bomen dan niet zijn en wij mensen ook!''

Voor Degas was elke beweging een aanraking door het leven zelf.

De tijd van Degas, Gemeentemuseum Den Haag, Stadhouderslaan 41. Tot 14 juli.