Het Portugese Stonehenge

Na Mourão, een wit stadje bij de Portugees-Spaanse grens, verlaten wij het asfalt. Achter ons overspant een reusachtige brug een leeg rivierdal. Rustig rijdend over een hobbelpad zien wij een bordje met de naam van wat wij zoeken: Xarez. Daar moet de `cromlech' staan, een megalithisch monument van 52 stenen. Stonehenge in het klein, zeg maar. Alentejo, het land ten oosten van Lissabon en ten noorden van de Algarve, is bezaaid met hunebedden, menhirs en andere gedenktekens uit voorchristelijke tijden. Het valt vaak niet mee ze op te sporen.

Enige kilometers verderop troont Monsaraz hoog en droog op zijn bergtop. We zien de donkere muren van een kasteel en het wit van een kerk. In dit gebied, waar de Guadiana de grensrivier vormt tussen Spanje en Portugal, biedt het een vertrouwde aanblik; eeuwenlang lagen de dorpen hier als vestingen in het land.

Overal om ons heen menen wij resten van monumenten te herkennen. Is die cirkel of dat vierkant van stenen nu wel of niet een prehistorische grafkamer? De cromlech zou echter duidelijk te herkennen moeten zijn, want uit haar midden hoort een vier meter hoge stenen fallus op te rijzen. Als het pad in een piste verandert, gaan wij te voet verder.

Twee donkere mannen, die over de motor van hun geblutste pick-up staan gebogen, voorkomen dat wij in dit stenige landschap blijven ronddwalen. Jazeker, dit is de plek waar de cromlech duizenden jaren heeft gestaan. Maar sinds kort is hij verhuisd, naar het klooster van Telheiro, vlakbij Monsaraz. Wij weten toch wel dat deze hele streek kopje-onder zal gaan in een stuwmeer? Er zal zelfs een dorpje verdwijnen, dat inmiddels hogerop een bergwand is nagebouwd.

Ja, over die Alqueva-dam hadden wij al iets gehoord. Een paar dagen geleden logeerden wij bij Evora op de boerderij van een Nederlands echtpaar, dat al ruim twintig jaar in Alentejo woont. Hun wit-blauw geschilderde huis staat te midden van ruim honderd hectare wijnvelden. Een deel van de bijgebouwen is herschapen in appartementen. Hij is een baron Van der Feltz, zij een telg van de Friese Van Eysinga's. Liever zouden zij hun afkomst hebben verzwegen, maar toen ik toevallig het lijvige `Adel in Friesland' van mijn goede vriend Yme Kuiper in de boekenkast ontdekte, kwam hun adellijke achtergrond algauw boven water.

Gezeten bij het haardvuur, waarvoor twee enorme oude honden in hun manden lagen te slapen, dronken wij met de baron een wijntje van het huis. Hij noemde het stuwmeer van 250 vierkante kilometer, dat voor eens en altijd een einde aan de droogte in deze streek moet maken, een prestigeproject. De verplichte afname van het irrigatiewater zou voor de boeren veel te duur worden. Bovendien was het meer boven een geologische breuk gepland, die gemiddeld een keer in de miljoen jaar van zich laat horen. ,,Dus misschien krijgen we hier over een paar jaar een vloedgolf van honderdvijftig meter hoog'', mijmerde de baron.

Wij keren op onze schreden terug en rijden tegen de berg op naar Monsaraz. Dikke regenwolken pakken zich samen boven het mooi gerestaureerde vestingstadje, dat uit een optocht van winkeltjes en eethuisjes bestaat. Het weer is hier al weken van slag. Mijn reisgenoot, vertaler Arie Pos, die met elke herder of zigeuner een vloeiend gesprek kan voeren, noemde onderweg zijn tweede vaderland al een `land van loodgrijze luchten en gestaag neertrommelende slagregens'. Misschien willen de weergoden duidelijk maken dat een stuwmeer nergens voor nodig is.

Aan de andere kant van de berg dalen wij af naar het witte nonnenklooster van Telheiro. Een poetsvrouw wijst ons het pad naar de nieuwe locatie van het monument. Wij verheugen ons al op een foto van de fallus met het klooster op de achtergrond. Helaas, ter plekke blijkt dat de cromlech nog niet herrezen is. De stenen liggen op houten pallets uitgespreid, wachtend op de landschapsarchitect die alles weer op verantwoorde en smaakvolle wijze zal arrangeren.

Maar goed dat wij een dag eerder de cromlech van Almendres (bij Evora) hebben bewonderd. Op een glooiend veld staan hier 92 stenen paaseieren, kruiken en menhirs bij elkaar. Dankzij de mist, die om de stenen zweefde, ging er een geheimzinnige bekoring vanuit. Een bepaald soort New Age-muziek, van de Ierse Enya bijvoorbeeld, zou hier goed bij passen. Deze cromlech heeft meer recht op de vergelijking met Stonehenge dan die van Telheiro. En net als met Stonehenge tast men in het duister over de functie van de stenenrijen – ging het om een begraafplaats, een vruchtbaarheidscultus, of om een astronomisch observatorium? Misschien was het wel een multifunctioneel bouwproject.

ICEP Portugal, Paul Gabrielstraat 70, 2596 VG Den Haag. icep.haia@icep.pt; www.Portugalinsite.pt