Het lot denkt zelf

Op het omslag van De Lijfarts, de nieuwe roman van Maria Stahlie, een heuse pil deze keer, is een gouden bal afgebeeld, een appel mischien ook wel, hangend aan een rode tak. Het plaatje is mooi, maar moeilijk te duiden. Zien we hier een verboden vrucht, die iemand tegen beter weten in probeert te plukken? Is dit de bal die het jongetje Sean benoemt, als hij zijn eerste woorden begint te brabbelen? De bal die neef Marc gebruikt om van zijn eeuwige hoofdpijn af te komen? Of is dit het beeld van een betere, glanzende wereld die Muriël Wijnings, Stahlies heldin, voor ogen lijkt te staan?

Zeker is wel dat in dit negende boek van Stahlie een gooi wordt gedaan naar iets hogers, naar een hoger inzicht waar gestaag naartoe wordt gewerkt. Niets minder dan het lot zelf is hier in het geding. Zoals in al haar boeken worden ook deze keer driftige pogingen ondernomen om de grote boze wereld met behulp van veel geredeneer en magisch gedenk van zijn angels te ontdoen. Maar anders dan bijvoorbeeld in haar roman De sterfzonde (1991) wordt het lot niet meer voorgesteld als iets duisters dat gunstig gestemd kan worden door het vervullen van moeilijke opdrachten. Het lot neemt hier de gestalte aan van een denkende instantie die een niet aflatende drang tot generositeit zou hebben. Maar omdat de meeste mensen niet in staat zijn die drang te herkennen, ziet de wereld er nog steeds niet uit alsof hij door een gulle, welwillende hand wordt geleid. Dit is in het kort de levensbeschouwelijke basis van De Lijfarts die zich pas op ongeveer driekwart van de roman zal openbaren.

Tot die tijd is het tobben geblazen met Muriël Rampspoed-Wijnings, zoals de hoofdpersoon zichzelf half spottend, half zelfmedelijdend noemt. We volgen haar op haar lange reis als brokkenpiloot. Soms hoort ze onderweg wel eens iets verstandigs, van een Lakota-indiaan onder anderen, die haar uitlegt hoe belangrijk het is om te waken over de eigen en andermans ziel. Ook probeert hij haar duidelijk te maken dat het niet erg is om af en toe een fout te maken. Maar ze is niet in staat die wijsheden tot zich door te laten dringen.

Puinhoop

Muriël kijkt terug op de puinhoop die ze van haar leven heeft gemaakt. Een studie medicijnen niet afgemaakt vanwege haar hypochondrische inslag. Schuldgevoelens over de plotselinge dood van haar innig geliefde ouders. Zich vergrepen aan een neef, op wie ze stiekem verliefd is. Een tante achterover van een trapje geduwd. Halsoverkop in het huwelijk getreden. Echtgenoot en zoontje van vier maanden zonder enig bericht in de steek gelaten. Dat is de stand van zaken als wij kennis maken met de dan 28-jarige Muriël. Ze is uitgeput, aan het eind van haar Latijn. Ze voelt zich schuldig over alles en iedereen. Over de neef, de tante, de ouders, de echtgenoot, het zoontje en haar hele mislukte leven tot dan toe. Men kon mij het beste uit de weg gaan, denkt ze. Net als sommige personages van Renate Dorrestein meent ook deze Muriël over een boos oog te beschikken dat voor ongeluk en ellende zorgt, de zwakke schakel die elke ketting doet breken. Een gevaar voor de omgeving. Dat zij tussen de bedrijven door, puur op intuïtie, twee mensenlevens weet te redden ziet zij niet als een verzachtende omstandigheid.

Met de moed der wanhoop probeert ze haar leven weer onder controle te krijgen, maar steeds werkt zij zich in nieuwe nesten, zodat ze telkens opnieuw op de vlucht moet. We verplaatsen ons met de rusteloze Muriël van Amsterdam naar Connecticut, van Connecticut naar Las Vegas en van Las Vegas naar Wall in South Dakato. Van daaruit gaat het met een omweg terug naar Amsterdam en vervolgens naar Breda. Eindpunt: een bovenhuis in Amsterdam, met uitzicht op het Sarphatipark. In Breda, waar zich het bevlogen sluitstuk van de roman afspeelt, begint de victorie, zou je kunnen zeggen. Muriël is tot lijfarts benoemd van een rijke oude dame die aan suikerziekte lijdt. Als gesjeesde medicijnenstudente is zij weliswaar niet bevoegd om wie dan ook te behandelen, maar ze meent genoeg te weten om althans één mens in leven te kunnen houden. Zij denkt dus niemand te benadelen door zich voor volleerd arts uit te geven, al brengt ze er zichzelf voor de zoveelste keer mee in een lastig parket. Het lijfartsschap past haar als een handschoen, omdat ze zich maar op één mens hoeft te concentreren in plaats van op de hele wereld. Bovendien blijkt er bij de oude dame een hele familie te horen die blij is met haar komst. Als dan ook nog onverwacht de verloren gewaande zoon opduikt, wordt wel duidelijk dat na de magere nu de vette jaren zijn aangebroken. Alles loopt dan ook met de bekende sisser af. In een soort toekomstvisioen ziet Muriël zichzelf achter het raam van haar Amsterdamse woning staan. Als een opperst tevreden en doodnormale moeder-de-vrouw.

Amerika

De Lijfarts speelt zich voor een niet onbelangrijk deel af in Amerika en doet ook zeker Amerikaans aan in zijn ongebreidelde vertellust. Meer nog dan in haar vorige boeken zit Stahlie op de praatstoel. Op een bladzijde, een detail of een verhaallijn meer of minder wordt in deze royaal opgezette avonturenroman niet gekeken. In traag, breed uitgesponnen proza kabbelt het verhaal voort, vol uitweidingen, redeneringen, overwegingen, zijpaden, verbijzonderingen en herhalingen. Van elke tante, van elke passant, van elk personage, wordt wel zo ongeveer de doopceel gelicht. Veel details ook over kleding, schoeisel en haardracht. Onophoudelijk wordt vermeld welke dag of uur het is en of het gisteren, vorige week of vanochtend was voor- of nadat er weer iets anders gebeurde. (`Op de dag nadat mevrouw Metzlar bij de specialist was geweest vroeg Noortje 's middags al of ze Sean die avond onder de douche mocht doen.') Niets blijft hier onopgemerkt, zo lijkt het, maar het eigenaardige is dat er toch ook wel het een en ander doorheen slipt. Zo is het niet erg aannemelijk dat Muriël wel in twee dagen een huwelijk kan sluiten met de eerste de beste gokverslaafde in Las Vegas, maar een vol jaar haar ziel in lijdzaamheid denkt te moeten bezitten voordat ze haar zoon, vrucht van deze hopeloze verbintenis, uit de tentakels van een afschuwelijke schoonmoeder kan bevrijden.

Misschien is het niet terecht om Stahlie te verwijten dat haar heldin aan de ene kant van een soort hyperbewustzijn blijk geeft, terwijl ze er aan de andere kant maar wat op los leeft: het arme mens is nu eenmaal in de war, het spoor bijster, en probeert haar leven met man en macht weer op orde te krijgen. Misschien is het eerder mijn probleem: dat ik mij eenvoudig niet gewonnen kan geven aan de lukrake lotswisselingen die Stahlie voor haar Muriël in petto heeft. Want de schrijfster is natuurlijk de genereuze instantie die bepaalt hoeveel boete er moet worden gedaan en wanneer de zaken weer een gunstiger wending mogen nemen. Met Muriël zelf is weinig mis, maar haar dramatische lotgevallen doen me te veel aan een losgeslagen soap denken. Niets blijft haar bespaard, maar de ellende ligt er te dik bovenop. De rampspoed blijft steken in grote woorden. Je kunt geamuseerd of verbaasd, met bewondering toch ook wel, kennis nemen van de soms bijna halsbrekende bokkensprongen die Muriël van haar schepper moet maken, maar te begrijpen valt de wispelturige opeenvolging van scènes en episodes niet. Ook na bijna zeshonderd bladzijden wil maar niet duidelijk worden wat onze heldin nu eigenlijk beweegt. Dat is wat deze ogenschijnlijk realistische roman uiteindelijk tot een hermetisch bolwerk maakt: een gouden bal, zou je kunnen zeggen. Mooi om naar te kijken, maar ondoordringbaar.

Maria Stahlie: De Lijfarts. Prometheus. 596 blz. E24,95 (pbk), E32,50 (geb)