Het had anders gekund

Het NIOD-rapport over Srebrenica, dat voor het kabinet-Kok reden was om af te treden, bevat een verpletterende hoeveelheid feiten en details. Maar wat speelde zich nu precies op de grond af, en had het allemaal anders kunnen lopen? De conclusies blijven betwistbaar.

Srebrenica – dat is de moord op zevenduizend mannen. De ergste oorlogsmisdaad in Europa sinds de Holocaust. Een massamoord. Een relaas ook van individueel en collectief falen, van tekortschieten, kortzichtigheid, onwetendheid, lafheid, onverschilligheid.

Iedereen heeft zijn eigen Srebrenica, herinnert zich eigen indrukken en beelden. Voor de een zijn dat magere moslimmannen van wie je weet dat ze ten dode zijn opgeschreven, nog net onder het toeziend oog van Dutchbatters of al op weg naar de Serviërs. Voor de ander zijn dat Karremans en Mladic met een glas in de hand. Of hossende Dutchbatters in Zagreb. Of beelden van later: boze en wanhopige vrouwen met hoofddoeken. Kledingstukken in de modder. Lijkzakken in een depot in Tuzla.

Voor mij is Srebrenica, afgezien van de beelden, vooral en nog steeds een aantal vragen. Niet zozeer naar de verantwoordelijkheid van alle betrokkenen op afstand, van al die generaals en politici die wel of niet hebben gefaald en die allen direct of indirect hun verantwoordelijkheid voor het drama dragen, de Koks en de Couzy`s, de Janviers en de Voorhoeves. Mijn vragen hebben eerder betrekking op wat er op de grond eigenlijk is gebeurd. Hadden – bijvoorbeeld – de zevenduizend moslimmannen kunnen worden gered als Dutchbat had gevochten tegen de Bosnische Serviërs? Of: waarom is steeds betrekkelijk klakkeloos aangenomen dat de Dutchbatters en hun leiding niet konden weten wat er met de moslimmannen ging gebeuren toen de Serviërs hen afvoerden? Hadden ze het niet kunnen of zelfs moeten weten?

En waarom wordt almaar zo makkelijk gesteld dat de aanval van de Bosnische Serviërs onverwacht kwam? Het NIOD-rapport stelt dat ook: de aanval kwam `volkomen onverwacht'. Het rapport gaat daar verder niet op in, behalve door de verrassing te verklaren uit het gebrek aan belangstelling voor informatie van inlichtingendiensten bij de VN en bij de Nederlanders.

Maar het tijdstip van de aanval was onverwacht, de aanval zelf was dat helemaal niet. Er was in die zomer van 1995 veel te doen over de drie moslimenclaves Srebrenica, Žepa en Gorazde. In mei had VN-secretaris-generaal Boutros-Ghali voorgesteld de VN-troepenmacht in Bosnië te halveren en te hergroeperen. De plaatsen waar ze het kwetsbaarst waren, zouden moeten worden ontruimd. Dat sloeg, zo schreef deze krant op 26 mei 1995, op een mogelijke ontruiming van de drie enclaves in Oost-Bosnië. Daarnaast was de autoriteit van UNPROFOR (aldus deze krant op dezelfde dag) sterk aangetast door berichten over voorbereidingen van de NAVO op een algehele aftocht en was het imago van de blauwhelmen er een van `een passieve, machteloze en tandeloze strijdmacht die de kaartjes voor de thuisreis al zo goed als in de achterzak heeft'.

Niet alleen UNPROFOR bevond zich in een kwetsbare positie in de zomer van 1995. De situatie van de Bosnische Serviërs was – eigenlijk voor het eerst in drie jaar oorlog – eveneens penibel. Tachtigduizend soldaten van het leger van Ratko Mladic moesten een frontlijn van 1.700 kilometer verdedigen tegen een steeds beter bewapend en steeds agressiever moslimleger van 130.000 man en tegen 34.000 Bosnisch-Kroatische soldaten. Een opgave die elke dag moeilijker werd. In het westen en noordwesten van Bosnië dreigde het militaire tij zich te keren (en het zou zich ook spoedig keren). Mladic zat dringend om manschappen verlegen – de duizenden Bosnische Serviërs bijvoorbeeld die werden gebonden door de omsingeling van de drie enclaves. Mladic moest urgent af van die enclaves. En gezien de steeds openlijker twijfels bij de VN (en niet alleen de VN) over de toekomst van de enclaves en het slechte imago van UNPROFOR was de aanval van begin juli niet zo `volkomen verrassend' als nog steeds wordt volgehouden. Verrassend – voor iedereen, inclusief Mladic – was het gemak waarmee de enclave in handen van de Serviërs viel door de afwezigheid van verzet van de 6000 moslim-soldaten èn Dutchbat.

Had Dutchbat de zevenduizend moslimmannen kunnen redden als het had gevochten, als het bereid was geweest verliezen in eigen gelederen te incasseren?

Nee, zegt het NIOD-rapport. Verzet `lag niet in de lijn van het mandaat' en was bovendien, gezien het overwicht van de tegenstander, `militair gesproken kansloos'. `Eigenlijk, zo kan men de atmosfeer wel samenvatten, lag inzet van militaire middelen alleen in de rede als de eigen veiligheid van de blauwhelmen in gevaar was, als er direct op hen werd geschoten. [...] Op instructie van het VN-hoofdkwartier in Zagreb nam Dutchbat blocking positions in. Dat kan, behalve als een signaal aan de VRS [het leger van de Bosnische Serviërs] ook worden gezien als een poging de smoking gun uit te lokken die nodig was voor harder reageren door UNPROFOR. Maar de VRS liet zich op dit punt niet provoceren en trok om de blocking positions heen, zodat Dutchbat weinig andere keus had dan zelf ook terug te trekken.'

Maar het rapport ondergraaft de stelling van de militaire kansloosheid zelf met de opmerking, een paar regels verder op diezelfde pagina 3143, dat er méér was dan alleen de militaire krachtsverhouding: `Op politiek-psychologisch niveau was niet ondenkbaar geweest dat de VRS (Mladic) toch, ondanks alles, zou zijn teruggeschrokken voor een gevecht waarbij aan de zijde van UNPROFOR slachtoffers zouden vallen.' Het rapport gaat daar verder niet op in, omdat dat op `het terrein van de speculatieve bespiegelingen' ligt.

Speculatief of niet – het is mijn stellige overtuiging dat Mladic een open strijd met de blauwhelmen in Srebrenica na de initiële bluf waarmee hij de enclave beschoot en binnentrok, niet zou hebben doorgezet. Hij kon zich geen dode blauwhelmen permitteren.

Zeker, de relaties met de blauwhelmen waren gespannen. De Serviërs en de VN-soldaten hadden juist eind mei en begin juni 1995 een zware gijzelingscrisis achter de rug. Honderden VN-gijzelaars waren daarbij als menselijk schild tegen NAVO-luchtaanvallen gebruikt. Dat neemt niet weg dat de Bosnische Serviërs altijd hun uiterste best hebben gedaan géén slachtoffers te maken aan de kant van de blauwhelmen. Die werden bestolen en getreiterd, geprovoceerd en geminacht, beschoten en dwarsgezeten – maar gedood werden ze niet, omdat dat luchtacties van de NAVO zou betekenen. Als er blauwhelmen sneuvelden door Servische hand, dan was dat onbedoeld. In de hele Bosnische oorlog was het tót het drama-Srebrenica maar één keer (op 27 mei in Sarajevo) tot een open gevecht gekomen tussen de Serviërs en blauwhelmen.

Speculatief of niet – als Dutchbat had gevochten zou Mladic zich hebben beperkt tot de inname van het zuidelijke deel van de enclave (waar het hem om te doen was). In het slechtste geval zou de enclave zijn opgedoekt zoals later in juli de enclave Žepa werd opgedoekt, met evacuatie van alle moslims. In Žepa, zo noteert het NIOD-rapport terecht, stonden de Bosnische Serviërs `open voor regelingen'. Het is eerder waarschijnlijk dan onwaarschijnlijk dat ze in Srebrenica ook `open voor regelingen' zouden hebben gestaan als ze op vastbesloten militair verzet waren gestuit. Het is speculatie, zeker. Maar het is ook speculatie te veronderstellen dat verzet geen zin zou hebben gehad.

Van de rond zevenduizend moslimmannen die uiteindelijk werden vermoord, vielen er ongeveer zesduizend in handen van de Serviërs tijdens hun poging, van Srebrenica naar Tuzla te vluchten. De ongeveer duizend andere mannen werden door de Serviërs uit de rond 35.000 moslimvluchtelingen in en rond de Dutchbat-compound in Potocari geplukt. Konden de Dutchbatters weten wat de moslimmannen die ze door de Serviërs lieten oppakken zouden worden vermoord?

Nee, concludeert het NIOD-rapport. `Net als voor velen buiten de enclave was de mogelijkheid van een grootschalige moordpartij ook voor Dutchbatters letterlijk onvoorstelbaar', heet het op pagina 2697.

Die bewering klopt niet. Er was al drie jaar lang de ervaring van de oorlog, het vaste patroon was: altijd als de Serviërs moslimmannen en moslimvrouwen van elkaar scheidden, werden de mannen vermoord, zeker na de sluiting van de martelkampen Omarska, Trnopolje en Keraterm. De Dutchbatters – en zeker hun commandanten – konden weten dat de van de vrouwen gescheiden mannen zouden worden vermoord.

Dàt de massamoord niet `letterlijk onvoorstelbaar' was, blijkt ook uit het citaat van een Dutchbatter dat in het rapport onmiddellijk op deze bewering volgt: `Ik denk dat de meesten van ons het niet wisten. Dat is misschien wel een beetje naïef geweest.' Als `de meesten van ons' het niet wisten, wisten sommigen het wel – alleen dat maakt de bewering `letterlijk onvoorstelbaar' onhoudbaar, al helemaal als wordt gesteld dat de niet-weters `een beetje naïef' waren. Wie niet naïef was kon dus weten wat er met die moslimmannen ging gebeuren. Hoe breed is de kloof tussen het onwrikbare `letterlijk onvoorstelbaar' en dat zo soepele `beetje naïef'?

Verderop in het rapport (op pagina 3157) wordt geschreven dat plaatsvervangend Dutchbat-commandant Franken `het gevaar van ontsporingen wel degelijk onderkende'. Hij had daaraan geen ruchtbaarheid gegeven om geen paniek te veroorzaken. Aan massamoord had hij niet gedacht, maar `wel dat de VRS zich niet aan de regels zou houden en dat daar in het ergste geval – dat was in de oorlog eerder vertoond – ook doden bij zouden vallen. [...] Dat is de achtergrond van zijn beslissing niet te proberen de scheiding van mannen en vrouwen te verhinderen.' Met andere woorden: Franken was niet naïef. Niks `letterlijk onvoorstelbaar'.

Het lijkt een detail. Maar het is geen detail. Het is de kernvraag: wat kon de leiding van Dutchbat weten en wat had Dutchbat kunnen doen? Het rapport kan niet verhullen dat Dutchbatters (velen? de meesten? sommigen? het zal nooit duidelijk worden) konden vermoeden of zelfs weten dat de uitgeleverde moslimmannen hun dood tegemoet gingen. Dat is – wat mij betreft – niet alleen de bevestiging van een bang vermoeden, het is ook een loodzware conclusie, misschien wel de zwaarste uit het hele rapport. Immers, het roept een volgende vraag op: hadden in die late fase, op 13 juli, twee dagen na de val van de enclave, de Dutchbatters die rond duizend moslimmannen nog kunnen redden door zich actief en desnoods gewapenderhand en met gevaar voor eigen leven te verzetten tegen hun wegvoering?

Het is een vraag die – alweer – alleen speculatief kan worden beantwoord. Het is een antwoord waaraan ik niet durf te beginnen. Vast staat: de Dutchbatters deden niets, `ze stonden er als verdoofd bij'. Het rapport citeert (pagina 2701) een Servische journalist: `Ze stonden te kijken alsof ze niet begrepen wat er gebeurde, de officieren incluis.'

De studie wordt afgesloten met de `Epiloog', vijftig pagina's met al die conclusies, stellingen en beweringen die de afgelopen twee weken zoveel stof hebben doen opwaaien en dat nog wel even zullen blijven doen. De epiloog gaat over het internationale gemodder ten aanzien van de Bosnische oorlog, hij gaat over het ondoordacht uitsturen van Dutchbat naar een `veilig gebied' dat niet veilig was, vrede handhavend waar geen vrede was, met een gebrekkig mandaat. Het falen van regering en parlement, van de legerleiding, van generaal Couzy, van minister Voorhoeve, van de VN, van de VN-generaals in Zagreb en Sarajevo, van Dutchbat zelf, van Dutchbat-commandant Karremans en van uiteindelijk de commissie-Kemenade met haar `geen doofpot-conclusies' komt in die vijftig pagina's epiloog aan de orde. Tot en met het Dutchbat-feestje in Zagreb. En tot en met minister Pronk, die al op 17 juli van genocide sprak (`Er zijn daar duizenden mensen vermoord') en die toen prompt dezelfde verwijten over zich heen kreeg als deze week: hij liet zich door emoties leiden. Tot en met de politici die de gang van Dutchbat naar Srebrenica doordrukten, alle bezwaren en alle onduidelijkheid ten spijt: Nederland wilde zó graag internationaal een rol spelen dat het `zonder voorwaarden' soldaten uitstuurde, wat andere landen `met kracht van argumenten' hadden geweigerd. Tot en met tenslotte de politici die ná het drama de veilige terugkeer van Karremans en zijn 306 Dutchbatters een veel grotere prioriteit vonden dan de vraag wat er met de duizenden mannen van Srebrenica eigenlijk was gebeurd.

De oordelen zijn soms verrassend mild. Over Dutchbat zijn ze dat zeker. Voor zover het de gewone militairen van Dutchbat betreft is daar niet veel op aan te merken. Maar de mildheid strekt zich ook tot Karremans uit en wordt daar af en toe bedenkelijk. Hem wordt weliswaar verweten geen `geïnspireerd leiderschap' te hebben vertoond, maar hij wordt toch op essentiële zaken in bescherming genomen. Hij hief het glas met Mladic – dat kan hem aldus het rapport, `toch niet ernstig worden aangerekend'. Onhandigheidje. Hij besloot mee te werken aan de afvoer van de bevolking van Srebrenica, wel, dat was `een keuze die gebillijkt kan worden'. Hij vond op de beruchte persconferentie in Zagreb dat er `no good guys en no bad guys' waren – dat was eigenlijk niet Karremans' idee maar de suggestie van woordvoerder Hartman, aldus het rapport. En zeker, communicatie was niet Karremans' sterkste kant, maar die persconferentie in Zagreb, dat was een beproeving waaraan Karremans niet had mogen worden onderworpen. Zegt het NIOD-rapport.

Deze mildheid jegens Karremans in het bijzonder en Dutchbat in het algemeen maakt het NIOD-rapport niet tot een slecht rapport: de argumenten waarmee sommige beweringen van de onderzoekers kunnen worden weerlegd, zijn óók in het rapport te vinden. Aan de volledigheid ligt het dus niet. Alleen zijn de conclusies soms niet logisch.

Aan het NIOD-rapport is jaren gewerkt. Er werden alleen al negenhonderd getuigen ondervraagd, voor zover is na te gaan is alle beschikbare literatuur over Srebrenica bestudeerd, inclusief de verslagen van de twee inmiddels afgesloten processen voor het Joegoslavië-tribunaal die met het drama-Srebrenica te maken hadden, dat tegen de grote dader generaal Radislav Krstic (tweede man van Mladic) en dat tegen de kleine dader Drazen Erdemovic. Het rapport bevat gigantisch veel details en feiten, maar geen werkelijke onthullingen na de belangrijkste boeken die over het onderwerp zijn geschreven (Srebrenica. het zwartste scenario van Frank Westerman en Bart Rijs, Endgame van D. Rohde en Srebrenica. Reconstructie van een oorlogsmisdaad van Jan Willem Honig en Norbert Both). Het is een wetenschappelijk onderzoek dat niettemin leest als een trein, door de opbouw in korte subhoofdstukken en door de stilistische helderheid.

Samen met het driedelige rapport heeft het NIOD ook een viertal deelstudies uitgegeven. Een daarvan, geschreven door Bruno Naarden, behandelt het Balkan-beeld in het Westen. Dat blijkt niet te deugen, maar wie wacht op het correcte beeld komt bedrogen uit: `Het is makkelijker om de tekortkomingen van het huidige Oost-Europabeeld op te sommen dan kort aan te geven waardoor de verschillen tussen Oost- en West-Europa dan wel zijn veroorzaakt.' Sterker: `We zullen er genoegen mee moeten nemen dat het bepalen van de ware toedracht en oorsprong van ingewikkelde gebeurtenissen niet de sterkste kant van het historische metier is.'

Een tweede deelstudie, geschreven door Ger Duijzings, behandelt de geschiedenis van Oost-Bosnië van de Ottomaanse tijd tot na het uitbreken van de Bosnische oorlog. D.C.L. Schoonoord behandelt in een derde deelstudie `Dutchbat III en de bevolking: medische aangelegenheden' en C. Wiebes besteedt in de vierde deelstudie bijna vijfhonderd pagina's lang aandacht aan de rol van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in Bosnië tussen 1992 en 1995. In het slothoofdstuk daarvan wordt de vraag opgeworpen of Srebrenica een `intelligence failure' was – een fascinerende inventarisatie van wat de diverse hoofdrolspelers en inlichtingendiensten voor en tijdens de aanval van de Bosnische Serviërs eigenlijk wisten. Weinig, zo blijkt. Eigenlijk niets. Alleen de Bosnische moslims, die wisten iets. Ze zeggen zelf alarm te hebben geslagen. Volgens Wiebes is dat niet bewezen, al houdt hij de mogelijkheid open dat de moslims wel alarm hebben geslagen maar niet werden geloofd: ze waren te vaak met false alarms gekomen.

Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie: Srebrenica. Een `veilig' gebied. Reconstructie, achtergronden, gevolgen en analyses van de val van een Safe Area. Boom. 3 delen, 3394 blz. E89,50