Een schat op papier

Willem Kloos haalde een streek uit met de Haarlemse uitgever Wim Gosler, Marcellus Emants dwong Gosler af te zien van zijn rechten. Onbekende details blijken uit brieven die onverwachts boven tafel kwamen.

Het verleden van de literatuur zit nog altijd vol verrassingen. Een paar weken geleden werd ik gebeld door een Canadese mevrouw die wat brieven uit de negentiende eeuw had. Een gemeenschappelijke kennis had haar naar mij verwezen. We maakten een afspraak in het Amsterdamse café Americain. Intussen probeerde ik mijn fantasie in bedwang te houden over wat er wel niet allemaal tevoorschijn zou kunnen komen. Ik hield mezelf voor dat het vast brieven van derderangsschrijvers waren, of van die nietszeggende felicitatiekrabbels. Op de afgesproken tijd trof ik de vrolijke Canadese, die na enige plichtplegingen een stapel papier uit een plastic tasje haalde en op het Perzisch tapijtje legde. Al snel zag ik dat hier iets boven water kwam waar lang naar gezocht is door verschillende onderzoekers. Hier lagen eindelijk de brieven aan de Haarlemse uitgever Wim Gosler, die een soort dubbelrol speelde bij de Tachtigers. Ik zag brieven van Willem Kloos, van Marcellus Emants, van Nicolaas Beets, van Conrad Busken Huet, en tientallen briefkaartjes van Pol de Mont. Mijn gretigheid werd nauwelijks begrepen door de vrouw. Haar vader, de neerlandicus Jacob Visser uit Utrecht, was voor de oorlog in het bezit gekomen van de brieven, en zijn dochter had ze na het overlijden van haar vader meegenomen. Maar ze lagen daar in Canada in een kast zonder dat er iets mee gedaan werd, dus had ze zich voorgenomen bij een volgend bezoek aan Nederland te kijken of er misschien interesse van literair-historici voor was. Ze wist niet hoe haar vader aan de brieven was gekomen, mogelijk had hij ze op een veiling gekocht, of ze gevonden bij een antiquariaat, waar hij als verwoed verzamelaar veel tijd doorbracht. Ik mocht de brieven mee naar huis nemen en rustig doorlezen.

Van rustig doorlezen is geen sprake als je onvervangbare manuscripten in huis hebt. Ik heb ze één nacht thuisgehouden, want al leek de kans op brand of beroving wel klein, ik voelde me toch niet op mijn gemak. Daarna gingen ze de handschriftenkluis van de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam in. Deze instelling heeft de brieven inmiddels verworven.

Contactadvertenties

Om diverse redenen is het een bijzondere collectie. Het zijn allemaal brieven aan Willem Gosler, een schrijver-uitgever uit Haarlem, geboren in 1858. De meeste brieven dateren van 1882 tot 1887, toen Gosler nog een jonge vent was. Hij richtte een paar tijdschriften op, zoals Astrea, waarin Kloos als dichter debuteerde, en De Leeswijzer. Ook was hij de oprichter van het tijdschriftje Het manuscript, dat Lisa Kuitert onlangs in haar oratie een `contactadvertentieblad' voor schrijvers noemde. Hij was zeer actief en had contact met veel jonge en oudere schrijvers. In het tijdschrift De Nederlandsche Spectator was hij de enige die enigszins scherp durfde te recenseren. Met wat meer lef had hij de uitgever van de Tachtigers kunnen worden, want als jonge ondernemende uitgever had hij wel krediet bij de nieuwe generatie. Maar hij had niet de moed om te kiezen en werd uiteindelijk door hen misbruikt voor een van hun mystificaties.

De spectaculairste vondst in de Goslercollectie is die van vier brieven van Willem Kloos, twee uit 1881 en twee uit 1886. In 1881 was Kloos 22 jaar oud en nog volstrekt onbekend. Hij had enkele literaire kritieken geschreven, merendeels anoniem, in De Nederlandsche Spectator en De Portefeuille. Verder had hij een paar verzen gepubliceerd, maar nog niets in boekvorm. Kloos had Gosler verzen aangeboden voor het tijdschrift Astrea, maar Gosler had hem geschreven dat de redactie ze `onontwarbaar' vond. Kloos vraagt zich af wie de onbekwame redacteur is die Gosler van advies gediend heeft, want ,,om de kunst van sonnetten te beoordeelen, heeft men nog iets meer noodig dan journalistenverstand en Trouringh-gemoedelijkheid. En daarom valt hij over de duisterheid en zegt, dat ze onontwarbaar zijn [...]. Maar gedichten, die een stuk menschenziel belichamen, en waaraan studie en hartebloed besteed is, leest men niet zooals men het Nieuws van den Dag doorziet, aan de ontbijttafel, tusschen het smeren van een broodje en een opmerking over het weer tegen zijn vrouwe of zijn dochter.'' Kloos meent dat hij minder duister is dan Shakespeare, Shelley, Rossetti of Swinburne. Voor een beginnend schrijver blaast Kloos hoog van de toren, vooral als men zich realiseert met wie hij zich vergelijkt.

Litteratuur

In een andere brief spreekt hij zich uit over de schrijver-criticus Ising, die hij ervan verdenkt zijn poëzie als te hermetisch beoordeeld te hebben: ,,Isings naam in onze litteratuur steunt op andere eigenschappen dan het vermogen om verzen te beoordeelen.''

Erg amusant is de kwestie Julia, die ook in deze brieven aan de orde komt. In 1886 haalt Kloos een streek met Gosler uit die deze hem terecht mag kwalijk nemen. De dichtkunst van de Tachtigers beantwoordde niet aan de publieke smaak. Om te laten zien dat zij ook lieflijke poëzie konden maken, heeft Kloos met een paar mededichters een boekje gemaakt met verzen in de trant van de boudoirpoëzie die toentertijd gangbaar was. Deze Julia, Een verhaal van Sicilië door Guido, verscheen bij Gosler. Kloos had de gezamenlijke vriend Duijts daarvoor als tussenpersoon gebruikt. Een brief die Kloos aan Duijts gedicteerd heeft voor Gosler, zit ook in de Canadese collectie. Duijts doet alsof hij zelf een bundeltje gemaakt heeft en hij verzoekt Gosler zijn naam volstrekt geheim te houden wegens de polemische strekking van sommige strofen. In `De leeswijzer' bejubelt Gosler als criticus zijn eigen uitgave, en trapt zo in de val van Kloos en de zijnen, net als de meeste recensenten. Kloos en Albert Verwey publiceren hierna de brochure De onbevoegdheid der Hollandsche literaire kritiek. Ze vertellen dat ze op een regenachtige namiddag een dwaas verhaal op rijm hebben samengeflanst vol belachelijke beeldspraak, holle frasen en tastbare wartaal, en nu merken ze dat de heren critici juichen, dezelfde critici die de echte, ernstige poezie in `De Nieuwe Gids' niet weten te waarderen. Daarna bespotten ze de ene na de andere recensent van Julia. Van Gosler zeggen ze dat hij `wipbilt' door de literatuur, nu naar deze kant en dan naar die. Hij is alles een beetje, een beetje zoetsappig, een beetje ongelukkig, een beetje vals, een beetje vermakelijk, maar niets helemaal. Gosler voelt zich beetgenomen, zoals blijkt uit twee tot dusver onbekende brieven van Kloos over deze affaire. Kloos echter meent dat ze quitte staan. Bovendien heeft Gosler geen verlies geleden met Julia, want het bundeltje verkoopt goed. ,,Jongeren als gij doen dus zeer onverstandig ons aan te vallen of op een hoogen toon te bedillen, in plaats van te trachten ons te verstaan en met ons mee te werken. Denkt gij er wel eens aan, hoe het er over tien jaar in onze literatuur zal uitzien?''

Kloos zag scherp: Gosler was inderdaad een wipbil en de boudoirpoëzie zou volledig vergeten worden.

De achttien brieven van Marcellus Emants zijn niet minder interessant. De schrijver die zich zo graag als een pessimist afficheerde, komt naar voren als een scherp onderhandelaar over de financiële kant van de schrijverij. Hij weigert nog langer `door eene geheel belangeloze medewerking de zakken van een uitgever te vullen of wel zijn schuldputten te helpen dempen en zelf niets anders te oogsten dan de hatelijkheden of het vuil van de vitters die zich in Nederland recensenten noemen'. Ook is hij een achterdochtige twijfelaar, die zich op een wijze die aan W.F.Hermans doet denken, boos maakt over een herdruk van zijn bundel Monaco, die buiten hem om gegaan is. Voor een fors bedrag koopt hij bij Gosler de exemplaren van zijn eigen bundels terug, en dwingt hem via een contract afstand te doen van al zijn rechten. In de Emants-biografie van Pierre Dubois bleef de Gosler-ruzie onuitgewerkt: nu kan deze kwestie uitgezocht worden.

Prachtig zijn ook de 34 brieven en briefkaartjes van de Vlaming Pol de Mont. In een kriebelig handschrift staan hier exclamaties en ontboezemingen in de barokke volzinnen waar De Mont een patent op heeft. Er zou een mooie studie te schrijven zijn over de contacten tussen de Vlaamse en Nederlandse literatuur ten tijde van de Tachtigers en daarbij zullen de Pol de Mont-brieven van essentieel belang blijken te zijn.

Brieven van letterkundigen zijn voor de literatuurgeschiedschrijvers van onschatbare waarde. Soms brengt het toeval onverwachts zo'n schat naar boven en daar was ik ditmaal getuige van. Dat zijn sensationele momenten in het leven van een literair-historica.

`Denkt gij er wel eens aan, hoe het er over tien jaar in onze literatuur zal uitzien?'