Den Haag trok bouwbedrijf Habo voor

De gemeente Den Haag heeft van 1963 tot en met 1996 het aan de gemeente verbonden Haagse bouwbedrijf Habo bevoordeeld boven concurrenten.

Dit deed de gemeente door Habo zogeheten rekenvergoedingen te betalen. Andere aannemers die meededen aan aanbestedingen voor projecten van de gemeente kregen deze vergoeding niet.

Dat heeft de gemeente desgevraagd bevestigd.

Den Haag heeft daarmee het gelijkheidsbeginsel uit het aanbestedingsrecht geschonden, aldus professor mr. W. Wedekind, hoogleraar aanbestedingsrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Ook overtrad de gemeente mogelijk Europese regels die het verlenen van overheidssteun aan bedrijven verbieden.

Habo was van 1921 tot en met 1996 eigendom van de gemeente. Het bedrijf was opgericht om een in Den Haag werkzaam aannemerskartel te doorbreken en de prijsvorming te controleren.

Het kartel functioneerde door de prijs van de laagste inschrijver voor een opdracht vooraf in onderling overleg te verhogen met een rekenvergoeding. Die vergoeding (voor de kosten van het opstellen van een offerte) werd verdeeld onder de deelnemende bedrijven die de opdracht niet kregen.

Habo was geen lid van het kartel. Daarom besloten B en W van Den Haag op 15 juli 1963 Habo apart rekenvergoedingen te geven. De exclusieve regeling bleef bestaan, nadat de Europese Commissie in 1992 onderlinge prijsafspraken en rekenvergoedingen van Nederlandse aannemers verbood. Terwijl de andere aannemers vanaf dat moment geen rekenvergoeding meer mochten declareren, behield Habo de regeling met de gemeente. Die bleef in stand tot eind 1996, toen de gemeente de Habo-aandelen verkocht.

Professor Wedekind noemt het, geconfronteerd met de gegevens, ,,een heel rare regeling die de concurrentie vervalste''.

Wedekind: ,,Habo was kennelijk altijd zeker van een rekenvergoeding, de andere bedrijven niet. De gemeente behandelde de bedrijven verschillend, dat kon niet. Tot 1992 zou je nog kunnen zeggen dat de vergoeding voor Habo een tegenwicht bood aan de onderlinge afspraken van de andere aannemers.'' Maar na 1992 niet meer, toen mochten die aannemers de rekenvergoedingen immers niet meer onderling verrekenen. Doordat Habo het rekenwerk wel vergoed kreeg, had dat bedrijf een bevoorrechte positie.''

De bedragen die Habo van de gemeente ontving waren afhankelijk van de hoogte van het inschrijfbedrag. Habo kreeg 3 promille voor bedragen tot 250.000 gulden en 1,5 promille daarboven. Habo had in 1995 een omzet van 100 miljoen gulden.

Mede-verantwoordelijk voor de vergoedingsregeling waren tussen 1992 en 1996 de toenmalig wethouders P. Noordanus (nu voorzitter VROM-raad) en H. Meijer (nu burgemeester Zwolle). Beide wethouders waren ook commissaris bij Habo. Noordanus: ,,Ik wist niet dat Habo rekenvergoedingen kreeg.''

Gemeente en commissarissen waren op de hoogte van de rekenvergoedingen, zegt J. Hollebeek, tot 1995 directeur bij Habo. Dat was volgens hem ook logisch, want ,,wanneer de gemeente een afspraak had met Habo, weet men natuurlijk ook waaróm die gemaakt is.''

Habo ging begin 1998 failliet. De curatoren concludeerden dat gemeente en commissarissen zich schuldig gemaakt hebben aan uitlokking van het faillissement, en aan onbehoorlijk bestuur.

De curatoren eisen een schadevergoeding van de gemeente Den Haag en van de commissarissen. Daarover wordt nog onderhandeld.