De wil tot klagen

Schopenhauer was een pessimist, maar met zijn meewarige levenslessen werd hij een gevierd tafelredenaar voor de biedermeier-burgerij. Nietzsche prikte genadeloos door dat gesomber heen, maar ging daarna de geschiedenis in als antisemiet. Twee denkers tegen de klippen op.

Schopenhauer heeft er lang op moeten wachten, maar toen voor hem het succes eenmaal kwam, was het overweldigend. In 1851 publiceerde hij het boek dat hem de roem zou brengen en dat een van de vreemdste titels droeg die de filosofiegeschiedenis ooit heeft gekend. Parerga en paralipomena, zo schrijft de filosoof en dichter Maarten Doorman in zijn inleiding bij de nu verschenen vertaling, betekent zoiets als Strooigoed en restanten al is ook wel Kliekjes en klusjes voorgesteld.

Het boek bevat een bonte verzameling aan essays en filosofische geschriften over onderwerpen die variëren van dagelijkse levenswijsheid tot technische wijsgerige problemen, maar titel noch inhoud kon het publiek plotseling nog afschrikken. Integendeel, Schopenhauer groeide uit tot een intellectuele held, eerst in Duitsland en vervolgens in de rest van Europa, waar hij ook na zijn dood in 1860 tot aan de eerste decennia van de twintigste eeuw een cult-figuur bleef.

Die plotselinge roem is nogal raadselachtig. Optimistisch en opwekkend was de filosofie van Schopenhauer nu eenmaal niet en de negentiende eeuw geldt toch over het algemeen als het tijdvak van het vooruitgangsoptimisme. Daar deed de bedrukte stemming die na het revolutiejaar 1848 was ontstaan weinig aan af. Volgens Maarten Doorman was dan ook eerder de opkomst van het wetenschappelijke materialisme verantwoordelijk voor Schopenhauers succes. Hij maakte korte metten met de hooggestemde filosofie van zijn voorganger Hegel, die de wereldgeschiedenis zag als één lange zelfontplooiing van de `Geest', op weg naar het einde van de historie waarin de hele werkelijkheid met zichzelf verzoend zou zijn.

Geen idealisme voor Schopenhauer, die een aanzienlijk gemelijker blik op het menselijk bestaan wierp. `Het beste voor de mens is nooit geboren te zijn', zo citeert hij uitentreuren de klassieke filosoof Theognis. Het bestaan is één grote bron van leed, als gevolg van een soort metafysische ontwerpfout waardoor de mensen zichzelf als individuen zijn gaan zien. Daardoor menen ze zichzelf in zekere zin uit de wereld te kunnen losmaken. Ze menen een identiteit te bezitten die hun harde en duurzame kern vormt. Hoezeer ik in mijn leven ook verander, `ik' blijft nu eenmaal `ik'.

Dit is een misvatting en dat wordt ons door het leven zelf voortdurend ingepeperd, aldus Schopenhauer. De werkelijkheid kent helemaal geen duurzaamheid. Alles is voortdurend in beweging en een wezen dat zichzelf een uitzondering waant in die stroom van veranderingen moet daarmee wel pijnlijk in botsing komen. Maar mensen kunnen nauwelijks anders. Ze zijn op het blijvende aangelegd, of ze dat nu zoeken in zichzelf of in de wereld, waarin ze niet willen accepteren dat dingen die hun dierbaar zijn onvermijdelijk vergaan. De mens is een tragische fout in de werkelijkheid en daarvoor moet hij boeten met een in smart gedompeld bestaan.

Dat had Schopenhauer allemaal al decennia eerder uitgelegd in zijn hoofdwerk De wereld als wil en voorstelling, waarvan vijf jaar geleden een nieuwe Nederlandse vertaling is verschenen, eveneens van de hand van Hans Driessen. Dat boek blijft de bijbel van zijn denken. Ook in Parerga en paralipomena, dat je als een soort `strooigoed' rond dit magnum opus kunt zien, verwijst hij er op cruciale momenten voortdurend naar. Maar dit werk was na de publicatie in 1818 als een steen in een vijver gevallen en zonder veel rimpels te maken direct naar de bodem gezakt. Ook de aanzienlijk uitgebreide tweede druk, die in 1844 verscheen, veranderde daar niets aan.

En toen, zeven jaar later, was het plotseling raak. Was het de tanende invloed van Hegel geweest, die ruimte had geschapen voor de aardsere visie van Schopenhauer? Daar is iets voor te zeggen. Rond diezelfde tijd probeert ook Karl Marx de filosofie, die Hegel op haar kop had gezet, opnieuw op haar materialistische voeten te zetten. Alleen houdt hij nog wel vast aan Hegels opvatting van de geschiedenis. Bij Marx is het niet de `Geest', maar de materiële productie die de historie voortstuwt, maar aan het einde ervan ziet hij, net als Hegel, een verzoende (`klassenloze') wereld dagen.

Schopenhauer niet. Voor hem lijkt geschiedenis hoe dan ook bijzaak. Wanneer hij Parerga en paralipomena begint met een paar opstellen over de geschiedenis van de filosofie (tevens de saaiste stukken van het boek), lijkt hij er vooral op uit zichzelf als het laatste woord daarin naar voren te willen schuiven. Dat was een trekje dat hij met Hegel gemeen had, al onderkent hij dat niet. Vrijwel naadloos loopt het stuk over in een furieuze, briljant geschreven tirade tegen de `universiteitsfilosofie', waarvan Hegel en zijn navolgers uiteraard de meest deerniswekkende vertegenwoordigers zijn.

In zijn polemische venijn is Schopenhauer op zijn best, dan fulmineert hij tegen `de botte brutaliteit waarmee de hegelianen, in al hun geschriften, zonder omhaal of inleiding, lang en breed komen aanzetten met de zogenaamde `geest', in de overtuiging dat men door hun galimatias [wartaal] veel te zeer overdonderd wordt om [...] de geachte professor te lijf te gaan met de vraag: `Geest? Wie is die knaap? En waar kennen jullie hem van?' Hij is vilein en geestig, en ook al overschreeuwt hij zich soms een beetje, zijn opstel over de universiteitsfilosofie staat op eenzame hoogte temidden van het polemische geweld dat filosofen in de loop der eeuwen hebben bedreven.

Maar polemiek behoort tot het genre van het vermaak. Ze is nog geen filosofie, al zal ze zeker tot het succes van Parerga en paralipomena hebben bijgedragen. En ook al laat die van Schopenhauer zich moeiteloos op het heden toepassen, met zijn schimpscheuten tegen de `doortrapte truc duister, dat wil zeggen onbegrijpelijk, te schrijven, waarbij [...] de lezer moet denken dat het aan hemzelf ligt wanneer hij er niets van begrijpt.' Filosofischer gaat het er pas aan toe in de `Bespiegelingen over levenswijsheid', die zo'n tweehonderd bladzijden van de Parerga omvatten en die zo populair werden dat ze kort daarna ook afzonderlijk zijn uitgegeven.

Schopenhauer liet het namelijk niet bij een metafysica waarin het sombere levenslot van de mens alleen maar werd beschreven. Hij voorzag ook in een levensleer die handreikingen bood om het tranendal althans zo ongeschonden en pijnloos mogelijk te doorstaan. Als het leven lijden is, dan werkt het alleen maar averechts om je daartegen te verzetten, had hij in De wereld als wil en voorstelling al geschreven. Om de frictie met de werkelijkheid zo klein mogelijk te maken, moeten we ons juist aan haar overgeven.

Geen opstand tegen het lijden, maar juist een mede-lijden met de mensheid en de wereld als geheel biedt volgens Schopenhauer het beste soelaas. Niet dat we daarvan gelukkig worden, maar in die overgave komt tenminste `de wil' een beetje tot bedaren, de metafysische motor van al ons streven en begeren. Uitdoving van de wil is het hoogste streven dat de mens kan hebben, zo had hij geleerd van de Indiase filosofie waardoor hij zich liet inspireren en waarvan het exotische karakter het nodige aan zijn publiekssucces heeft bijgedragen.

Maar voor datzelfde publiek was het wel cru om te moeten horen dat het levensgeluk gevoeglijk op de filosofische afvalhoop kon en dat men al blij mocht zijn met een zo groot mogelijke vermindering van het ongeluk, waarvoor men bovendien liefst de weg van de wereldverzaking moest inslaan. Een echte leer voor het leven kon je van een dergelijke oefening in versterving moeilijk verwachten. En daarom verzachtte Schopenhauer in zijn Bespiegelingen over levenswijsheid zijn eisen en zijn filosofische strengheid.

Hoewel het eigenlijk niet mogelijk is, schrijft hij, zal hij toch proberen de weg te wijzen naar een gelukkig bestaan. Wat dan volgt zijn tweehonderd bladzijden die feestredenaars van vele generaties als onuitputtelijke bron hebben gediend voor onweerlegbare en tegelijk geleerd klinkende oneliners waaruit een onmiskenbare biedermeiergeur opstijgt. Want wie zal tegenspreken dat `wat men is veel meer aan ons geluk bijdraagt dan wat men heeft'? Dat `niets minder bijdraagt aan vrolijkheid dan rijkdom en niets méér dan een goede gezondheid'? En dat `naast wijsheid, moed een voor ons geluk zeer essentiële eigenschap is'?

Beschaafd applaus en tegelijk wordt het raadsel van Schopenhauers plotselinge populariteit een stuk minder onverklaarbaar. In zijn `Bespiegelingen' bood hij de Duitse burgerij een levensleer die naadloos op hun dagelijkse bekommernissen en besognes aansloot. Welke speechende vader zou op het huwelijk van zijn dochter niet dankbaar gebruik maken van de vermaning `vooral geen luchtkastelen te bouwen, daar deze veel te onrendabel zijn'?

Zo gemütlich was men er in De wereld als wil en voorstelling niet vanafgekomen, al toont Schopenhauer zich ook in zijn levensbeschouwingen nog regelmatig van zijn gemelijke kant. `Zoals dat land het welvarendst is dat weinig of geen invoer nodig heeft, zo is ook onder de mensen diegene het gelukkigst die aan zijn innerlijke rijkdom genoeg heeft', schrijft hij, in een kennelijke poging zijn eigen isolement te glorifiëren.

Toch is dat nonsens, en niet alleen omdat Schopenhauer hier plotseling in strijd met alles wat hij eerder heeft gezegd `een voortreffelijke en rijke individualiteit' het `gelukkigste lot op aarde' noemt. Economisch noch psychologisch leidt autarkie vanzelf tot de hoogste welvaart; vrijwel steeds is het zelfs omgekeerd. En daarmee wordt zichtbaar hoe problematisch Schopenhauers pessimisme eigenlijk is. Iemand die het werkelijk serieus zou nemen, zou eenvoudigweg níets meer doen. Bij de pakken neerzitten en klagen: dat is de gemeenschappelijke toon van alle pessimisten uit de geschiedenis, van Theognis via Schopenhauer tot Cioran.

Maar geen van hen heeft zich daar aan gehouden. Ze zijn schrijvers geworden, en Schopenhauer wilde bovendien invloed hebben zo graag dat hij verbitterd raakte toen die weerklank maar uitbleef. Je kunt je van dat bezwaar niet afmaken door tegen te werpen dat een wegwijzer ook niet zelf in de richting gaat waarheen hij wijst. De inconsequentie zit in het pessimisme zelf ingebakken. Als filosofische leer is het alleen maar zinvol wanneer je het niet helemaal serieus neemt en er niet helemaal naar leeft.

Ook Schopenhauer was er niet vies van zijn eigen denkbeelden te gebruiken als een strategische truc om eigenlijk iets anders te willen. `Wie alles somber inziet en steeds op het ergste is voorbereid [...] zal niet zo vaak bedrogen uitkomen als degene die altijd alles van de zonnige kant ziet', schrijft hij. Een zwartkijker draait zichzelf, met andere woorden, een rad voor de ogen om vervolgens opgelucht vast te stellen dat de werkelijkheid eigenlijk zo beroerd nog niet is.

Schopenhauers salonfähige concessies in zijn `Bespiegelingen over levenswijsheid' zijn dus geen bijkomstigheid. Ze behoren tot de kwade trouw van het pessimisme zelf. Niemand heeft dat scherper ingezien dan Friedrich Nietzsche, die als geen ander wist waar hij het over had. Opgegroeid in de jaren waarin Schopenhauers plotselinge roem iedereen overdonderde, was hij aanvankelijk diens trouwe volgeling geweest. Maar wanneer hij in de winter van 1887 in Nice aantekeningen maakt voor een boek dat zijn hele filosofie op systematische wijze moet samenvatten, kan hij het pessimisme nog slechts als een `verval- en ziektefenomeen' zien. Niet in het uitdoven van de wil en de verzaking van de wereld ligt de menselijke roeping, maar in de omarming van de werkelijkheid en de grootst mogelijke intensiteit van de wil, die Nietzsche inmiddels wil-tot-macht is gaan noemen.

Die aantekening werd teruggevonden in de nagelaten papieren van Nietzsche die in zeven banden zijn verzameld. De laatste twee daarvan zijn nu in een Nederlandse vertaling uitgekomen (de rest volgt in de komende jaren), even schitterend bezorgd als de uitvoering van Schopenhauers Parerga statig is. Ook stilistisch zijn de twee aan elkaar gewaagd. Het sarcasme dat Schopenhauer voor Hegel reserveerde krijgt hij nu van Nietzsche zelf over zich heen. `De wereld als wil en voorstelling', schampert die laatste: `Naar het bekrompene en persoonlijke, het schopenhaueriaanse terugvertaald: `De wereld als geslachtsdrift en beschouwelijkheid'.'

Verder zijn beide boeken zo verschillend als maar mogelijk is. Nietzsches aantekeningen zijn chaotisch, uiterst fragmentarisch en vaak moeilijk te interpreteren. Hij maakt plannen voor boeken en verwerpt ze weer, noteert en becommentarieert wat hij leest, probeert gedachten uit. Dat maakt deze notitieboeken even gevaarlijk als avontuurlijk. Je ziet zijn ideeën onder zijn handen ontstaan, maar wat hun strekking en reikwijdte is wordt pas gaandeweg duidelijk en zelfs dat niet altijd. Wat moeten we aan met het onzin-rijmpje, genoteerd in de winter van 1885:

Buatschleli batscheli

bim bim bim

Buatscheli batscheli

bim!

Toch klinkt in de wirwar van haastige aantekeningen en uitgebreide kladversies voor voorwoorden of hoofdstukken van geplande boeken af en toe een schopenhaueriaanse echo door. `De vrouw die aan literatuur doet, onbevredigd, opgewonden, troosteloos in hart en ingewand...': dat klinkt naar de beruchte tirade van Schopenhauer tegen het schone geslacht in het tweede deel van zijn Parerga, een verhandeling die zo karikaturaal is dat je haar inmiddels weer gniffelend kunt lezen. En ook Nietzsches wantrouwen tegenover de emancipatie van de arbeidersklasse kon zo van Schopenhauer zijn overgenomen: `Wie slaven wil we hebben ze nodig, en hoe! moet hen niet als heren opvoeden.'

Comfortabele denkers zijn ze geen van beiden geweest.

Maar ook dan is er een opvallend verschil. `Foetor judaicus [jodenstank]: Europa is ervan doortrokken', schrijft Schopenhauer in een opstel over het christendom, en steeds wanneer bij hem de naam Spinoza valt is die term niet ver weg. Het was ongetwijfeld een banaal soort antisemitisme, dat gaandeweg minder alledaags werd. Een generatie later, in de tijd van Nietzsche, heeft het al de kwaadaardige vormen aangenomen van een politieke beweging, waarvan Nietzsches eigen zwager een voorman was. Zelf moest hij er niets van hebben.

`Bij Duitsers verloor ik mijn goede humeur, mijn geest,' schrijft Nietzsche in de winter van 1888. `Behalve als die Duitser toevallig jood of jodin is. Wonderlijk als ik me realiseer dat ik tussen 1876 en 1886 bijna al mijn aangename momenten in de toevallige omgang met mensen aan joden of jodinnen te danken heb.' Toch is Nietzsche, en niet Schopenhauer, de geschiedenis ingegaan als de grootste antisemiet onder de Duitse filosofen. Zijn nalatenschap en erfenis werd door zijn zuster met graagte ter beschikking gesteld van het Derde Rijk, dat met termen als Uebermensch en Herrenmoral wel raad wist.

Ongevaarlijk is Nietzsches denken dan ook nooit geworden. Het beweegt zich altijd op de rand van wat nog gedacht kàn en màg worden. De risico's van zo'n filosofie zijn in de ongeordende en ongekamde aantekeningen van de Nachlass nog beter zichtbaar dan in de boeken die hij zelf publiceerde.

Het is een romantisch cliché dat Nietzsche uiteindelijk aan zijn eigen gedachten ten onder is gegaan. Maar het is moeilijk onbewogen te blijven onder de tekenen van de voortschrijdende waanzin die zich in het najaar van 1888 aftekent. `Niet mijn bril op straat opzetten!/geen boeken kopen!/me niet in de menigte begeven!' noteert hij in de herfst van dat jaar, en dat is al niet helemaal gewoon meer. Een paar maanden later, onder de titel Laatste overweging, schrijft hij: `nadat de oude God is afgeschaft, ben ík bereid de wereld te regeren...'

Arthur Schopenhauer: Parerga en paralipomena. Kleine filosofische geschriften. Vertaald en toegelicht door Hans Driessen. Met een inleiding van Maarten Doorman. Wereldbibliotheek, 603 + 813 blz. Tot eind april E99–, daarna E110,– Friedrich Nietzsche: Nagelaten fragmenten, deel 6 en 7. Vertaald door Mark Wildschut en Michel van Nieuwstadt. SUN, 506 + 595 blz., E29,50 per deel.