Blij toe dat niets blijft

April is de maand van de filosofie. Ter gelegenheid van dit evenement heeft de Vlaamse filosofe Patricia de Martelaere een essay geschreven dat de titel draagt Wat blijft. Het is een kritiek van de Westerse wijsbegeerte geworden die wordt gepresenteerd als een zoektocht naar `dat wat blijft'. Die begon in haar kindertijd, waarin naïeve dierenliefde de vraag oproept wat nu eigenlijk het verschil is tussen mens en dier. Volgens de evolutietheorie is dat verschil er niet en worden ook mensen voortgedreven door de biologie. Hogere waarden zijn illusies. Als we die conclusie niet willen accepteren, dan moeten we veronderstellen dat er bij alle verandering `iets blijft'.

Maar wat? Wie een antwoord zoekt in de westerse wijsbegeerte komt volgens De Martelaere van een koude kermis thuis. De een (Parmenides) zegt dat alles blijft, de ander (Herakleitos) dat niets blijft, omdat alles voortdurend verandert. Een derde (Plato) dat er twee werelden zijn: een ideeënwereld waarin alles blijft en een zintuiglijke wereld die voortdurend verandert.

De wijsheid komt uit het oosten, en wel uit het boeddhisme. We moeten het beginsel van de uitgesloten derde opgeven, vindt De Martelaere, want dat leidt tot onoplosbare dilemma's. Geven we dit logische beginsel (dat De Martelaere overigens verkeerd formuleert) op, dan opent zich `de ruimte van het niet-iets'. Ze schrijft, geïnspireerd door het boeddhistische begrip `leegte': ,,Tussen `iets' en `niets' ligt [..] een soort ruimte, die weliswaar niet door iets (en dus door niets) wordt ingenomen, maar die wel degelijk bestaat (en dus is). Het is de ruimte van het niet-iets, een bestaanswijze die niet die is van het `iets', maar die [...] ook niet-niets is.' Het antwoord op de vraag wat blijft wordt nu: Niets, dat blijft.

Het essay eindigt met een bespreking van de interviews uit Het boek van de schoonheid en de troost van Wim Kayzer, naar de gelijknamige tv-serie. De meeste grote geesten die in dit boek aan het woord komen waren `sentimenteel', in Schillers betekenis van het woord: zij voelden zich verbannen uit de natuur. De ware, objectieve werkelijkheid is waardenloos en dus troosteloos. Vandaar dat volgens hen de mens wel een religie moest uitvinden tot heil van zijn eigen sterfelijkheid. Slechts twee van hen hadden de moed naïef te zijn. Zij aanvaardden de natuur en daarmee de dood als onderdeel van het mysterie van de schepping. Zo eindigt dit essay waar het begon: bij een kinderlijk perspectief op de werkelijkheid.

Moeten we nu de westerse filosofie ten grave dragen? Dat zou onverstandig zijn. De Martelaeres essay overtuigt niet erg. Het betoog fladdert alle kanten uit, en uiteindelijk wordt van de westerse filosofie een karikatuur gemaakt. De afgelopen vijftig jaar zijn boekenkasten vol geschreven over de vraag naar identiteit (wat blijft) door onder meer Wiggins, Kripke, Shoemaker en naar persoonlijke identiteit (wie ben ik?). De Martelaere meent echter dat zij een essay over deze veelbesproken onderwerpen kan schrijven zonder die recente literatuur te raadplegen. Wie een verhandeling zoekt over deze vragen van iemand die daarover is blijven nadenken in het licht van nieuw filosofisch onderzoek moet dus elders zijn.

Patricia de Martelaere: Wat blijft. Uitgave Stichting Maand van de Filosofie, 61 blz. €2,50