Vier reebruine ogen

's Ochtends op weg naar mijn vloerkadetjes en ochtendblad kom ik vaak een mevrouw tegen die haar hond uitlaat. Dat mens is een stuk groter dan ik, ik schat haar op zijn minst zo'n 190 centimeter en die hond komt met zijn kop met gemak tot aan haar heupen. Zal ik eerlijk en ronduit vertellen hoe dat beest door haar wordt genoemd? Borisje. Twee uiterst kwaadaardige types, daar weet ik alles van, want beiden hebben ze me nog niet al te lang geleden ernstig bedreigd. Dat monster draaide een geweldige bolus precies voor mijn deur, toen ik met mijn nog warme kadetjes en spiksplinternieuwe krant kwam aangelopen. Mooi begin van de dag. Toen ik er wat over opmerkte, spoorde ze het beest aan: `Grijp hem Borisje. Grijp en straf hem!'

Ik kon mijn huis niet meer in. Zo'n hond bestaat helemaal niet in het buitenland. Ik moest mijn toevlucht zoeken in de boekwinkel van mijn buren. Grijp en straf hem! Daar zijn de gruwelijke Middeleeuwen van Barbara Tuchman niks bij. Een dag later lopen ze voor me, dus ik steek meteen over. Dat dacht je maar; mens en hond achter me aan. `Dat doet Borisje heus geen tweede keer. Ik heb hem ernstig toegesproken en hij heeft het beloofd. Hij kreeg zelfs de tranen in zijn ogen.' Hap. Dat rotsecreet springt tegen me op en bijt bijna in mijn nek. `Nee, Borisje, dat doe je heus geen tweede keer. Als ik zeg af! dan is het af en als ik zeg bijt! is het bijt. Je hebt die meneer echt aan het schrikken gemaakt.'

Het dier als bedreiging of als toevlucht voor een verwarde ziel. Als kameraadje dat je mist als het er niet meer is. Mijn vader beklaagde zich erover dat `het zo stil was in de kamer nu de goudvis dood is'. Toen hem hetzelfde lot had getroffen hoorden we in die stille ochtend bij het opkomen van de eerste zonnestralen een verre merel zingen ter ere van de heilige Franciscus.

`Je praat altijd zo hard tegen Poesje, daar heeft ze veel te kleine oortjes voor', zei mijn zoontje als hummel. Die had al niet te veel vertrouwen in mijn omgang met dieren.

We vinden tegen een trottoirband een versufte zwaluw die waarschijnlijk ergens tegenop was gevlogen. Mee naar huis en in een schoenendoos met luchtgaten. Schoteltje water erin en een bakje müsli voor de eerste honger. `Müsli? Vliegt zo'n beestje niet de hele dag door de lucht achter mugjes en vliegjes aan?', merk ik betweterig op. Stil, het is nu zijn zwaluw en daar wordt op zijn manier voor gezorgd. Tijdens het eten moet de doos op schoot. `Dat vogeltje voelt zich al alleen genoeg zonder zijn vader en moeder, het is toch nog klein?'

Na het eten een en al gefladder en bewegen in de doos, een natte plek want het schoteltje is omgevallen en de müsli komt door de luchtgaten naar buiten. Het is mooi geweest met onze zwaluw. Ik mag met veel gesoebat kijken hoe hij er voorstaat. Alles oké. Hij heeft niks ernstigs opgelopen, die is ergens van geschrokken. `Hij zal blij zijn als hij weer door het luchtruim giert achter zijn broertjes en zusjes aan. Hij heeft het veel te benauwd in die doos. Straks stikt hij nog. Hem mankeert niks meer. Hij moet het luchtruim in.'

Balkondeuren open. Boven ons de strakblauwe hemel vol van zijn gevederde hemelingetjes. Dat luchtruim in zwiepen is geen kinderwerk, dat moet vader doen, dus in één zwaai gooi ik hem omhoog. Omhoog? Mooi niet. Alsof het schepseltje een kei aan zijn pootjes heeft hangen valt het loodrecht naar beneden, precies op het keiharde betonterras van de buren en nog geen enkele tellen later heeft de volgevreten kater van de overkant hem in zijn bek en sleept hem de bosjes in. `Gôh, wat ben jij een lul, pa.'

Ik heb een ambivalente relatie met bepaalde dieren. Bijvoorbeeld met wild. Ik ben nu in de Bourgogne en als ik buiten op het veld een haas of een ree tegenkom, word ik meteen vegetariër, maar zodra ik bij een knappend haardvuur in de buurt van het gesis van het geflambeerde zit, denk ik niet meer aan het gedartel van een reejong in de buurt van zijn moeder. Saignant moet mijn reemedaillon zijn. In rode wijnsaus en dieprode kersen. Ik ga voor wat bloed op mijn bord niet aan de kant. Hazenbout? Of saupiquet met lever? Ook weer met bloed en uien vakkundig doodgesmoord in zure wijn.

Een paar dagen geleden zie ik ze staan op een licht glooiende, witte heuvel, een ree met haar jong. Uit de bossen verderop klinkt geknal. Jagers. De dieren lopen besluiteloos heen en weer. Uit het dal klinken ook schoten. Ze weten niet welke richting ze zullen kiezen. Zoiets kan mijn vredige zondagse sneeuwwandeling behoorlijk verpesten. Verderop bij de bocht in het bos komt een terreinwagen aangereden. Twee jagers stappen uit. Ze haasten zich niet, zo te zien, maar leggen hun jachtgeweren aan. Wat kunnen die lieve, onschuldige schepselen tegen die geavanceerde moordwapens beginnen? Dit zal niet gebeuren. Dit mag niet. Dit duld ik niet. Stel je voor, dat ze er eentje voor mijn ogen neerknallen. Ik ren de heuvel op. De dieren hebben geen jager opgemerkt. Ze schrikken van me en vluchten uitgerekend in de rotpoten van vadertje dood.

Een dag of wat later worden we in ons restaurant wel heel uitzonderlijk hartelijk begroet door de waard met olijke koksmuts op. Ja, ja, hij had me wel herkend vorige zondag door het vizier van zijn geweer. Hier, een mooie wijn van het huis en als ze hier in de streek weer eens een drijfjacht gaan houden, ben ik van harte uitgenodigd. Zoals ik die twee reeën vakkundig in hun schootsveld joeg was meer dan grote klasse. Santé et bon appétit!