Terecht laten Marokkanen hun stem horen

Veel verslaggeving van de pro-Palestijnse demonstratie afgelopen zaterdag in Amsterdam ging meer over het bijverschijnsel van de rellen die vaak plaatsvinden in de marge van massabijeenkomsten, dan over de feitelijke en unieke gebeurtenissen. De televisiejournaals op zaterdag berichtten met nadruk: `Rellen bij demonstratie in Amsterdam'.

In de studio van de Amsterdamse televisie zat om zes uur zelfs de burgemeester zonder das, rechtstreeks uit het commandocentrum. Hij sprak echter geruststellende woorden: De opstootjes waren betrekkelijk meegevallen, het was al weer tamelijk rustig in de stad. Hij gaf bovendien de organisatoren van de manifestatie een compliment omdat zij actief de orde hadden bewaard. De journaliste bleef vragen: ,,Maar wat gaat u doen aan de relschoppers?'' Het wijze antwoord van burgemeester Cohen had de strekking: ,,Dat vragen we ons al langer af dan vandaag.''

Op maandag bleken ook veel kranten gebiologeerd door de geweldsmomenten. Deze krant had op pagina drie een dramatische kleurenplaat van galopperende ruiters bij een liggende gestalte: de eerste dode? De kop luidde: `Oproep tot `jihad' in Amsterdam'. Op de foto leek de heilige oorlog in Amsterdam al begonnen. Het onderschrift stelde gerust: de foto illustreerde slechts het feit dat `bij een charge van de politie een demonstrant is gevallen'. In de bijbehorende reportage bleef, bij alle nadruk op de vernielingen, voor de eigenlijke betoging weinig ruimte over.

Relbeluste journalisten – van het NOS-journaal tot NRC-Handelsblad – volgden groepen van in totaal een paar honderd schreeuwlelijkerds en lieten zelfs de opvallendste kenmerken van de samengestroomde menigte onvermeld.

Natuurlijk verdienden het politie-optreden en de vernielingen een plaats in een verslag. Maar in veel verslagen werden de rellen die haast wekelijks voorkomen bij stadions en in uitgaanscentra belangrijker geacht dan de historische, eerste massademonstratie van pro-Palestijnse, en merendeels islamitische Nederlanders.

Volgens de politie waren er tenminste tienduizend demonstranten. Vanaf de Dam door de Vijzelstraat en over de Weteringschans naar de Utrechtsestraat vormden zij een kilometerslange stoet zoals in Nederland al lange tijd niet is voorgekomen.

In de demonstratieve optocht liepen veel gezinnen en groepen vrienden en vriendinnen van allerlei leeftijden en allerhande herkomst mee. Velen hadden zich op de demonstratie voorbereid met opvallende staaltjes huisvlijt. Zo had iemand een poster: BUSHARON = HITLER. Voorts werd een enorme verscheidenheid aan spandoeken, plakkaten, bordjes, stickers, fotokopieën in plastic hoesjes en op stukken karton geplakte foto's en geschreven kreten meegedragen.

Misschien meest dramatisch was een groepje hollende jonge mannen dat op hun schouders één van hen als een gewonde of gesneuvelde door de menigte wegvoerde. De betogers vroegen de Nederlandse regering dringend om onmiddellijke maatregelen jegens Israël, Nederlands vriend en handelspartner, ter beëindiging van de oorlog tegen de Palestijnen.

Islamitische Nederlanders wordt vaak verweten dat zij te weinig aan het politieke debat deelnemen.

Hier lieten zij hun stem horen – en hun ernstige en (volgens de burgemeester) waardige actie werd zeer ten onrechte verslagen als een schermutseling tussen politie en hoodlums.

Ewald Vanvugt is schrijver en publicist.