Sita (20) gelooft in de Nepalese rebellen

De strijd van de linkse rebellen in Nepal heeft de hoofdstad Kathmandu bereikt. Daar bestaat grote sympathie voor de maoïsten. Het verzet laait op.

De oplaaiende strijd tussen maoïstische rebellen en het Nepalese regeringsleger heeft een nieuwe wending genomen. Tot nu toe werd de bloedige strijd – sinds donderdag vielen er 250 doden – vooral uitgevochten in het bergachtige westen van het land. Daar hebben de maoïsten de grootste aanhang. Maar de afgelopen twee dagen ontploften vijf bommen in het centrum van de hoofdstad Kathmandu. Daarbij kwamen zes mensen om het leven.

Indien de aanslagen het werk zijn van de maoïsten, dan hebben de rebellen daarmee bewezen de vallei van Kathmandu binnen te kunnen dringen, ondanks de strenge veiligheidsmaatregelen van het regeringsleger.

De vraag is echter of de rebellen de hoofdstad recentelijk zijn binnengedrongen, of dat ze er al die tijd al waren. Onder de jongeren in Kathmandu is er namelijk grote sympathie voor de rebellen, vooral onder degenen die uit het westen van het land afkomstig zijn.

Voor de noodtoestand, die in november vorig jaar inging, droegen zij openlijk een bandana om het hoofd, ten teken dat ze maoïst waren. Nu worden ze hiervoor gearresteerd, tenminste 90 dagen opgesloten en volgens de mensenrechtenorganisatie Amnesty International ook gemarteld.

Toch is het niet moeilijk sympathisanten van de maoïsten in Kathmandu te vinden. Zoals Sita, twintig jaar oud en al drie maanden woonachtig in de hoofdstad. Zij vertelt dat al haar klasgenoten maoïsten waren en dat vier van haar vriendinnen zich daadwerkelijk hebben aangesloten bij het rebellenleger in de jungle, van waaruit ze aanslagen plegen op leger- en politiekampen.

Dat de maoïstische rebellen de laatste tijd ook elektriciteitscentrales, waterleidingen en installaties voor telecommunicatie opblazen is volgens haar gelogen. Sita: ,,Waarom zouden de rebellen dingen doen die de gewone mensen schaden? De waarheid is dat het leger dat zelf doet en de schuld geeft aan de rebellen.''

Toch is Sita naar Kathmandu gekomen om de rebellen te ontvluchten. De druk om zich aan te sluiten bij de gewapende opstand werd te groot. ,,Ik zou het wel willen'', zegt ze, ,,maar mijn ouders vonden het niet goed, omdat ik voor mijn jongere broertjes moet zorgen.''

Volgens Sita willen de maoïsten `waarachtige' democratie, in plaats van de huidige, die de koning van Nepal twaalf jaar geleden instelde. ,,De koning is nog altijd de baas van het leger en nog altijd zijn bijna alle ambtenaren van Brahmaanse afkomst (de hoogste kaste, red.). Nepal moet een land worden zonder staatsgodsdienst, zonder kaste-discriminatie en met gelijke rechten voor vrouwen.''

Dat is niet te bewerkstelligen via parlementaire weg, vinden meer mensen in Kathmandu. Zoals Arun, die trainingen verzorgt aan leerkrachten die in afgelegen bergdorpen schooltjes opzetten. Volgens Arun zijn de maoïsten ondergronds gegaan toen bleek dat de parlementaire democratie een farce was: ,,De ministers zijn corrupt, de ambtenaren zijn allemaal familieleden en niet deskundig.''

De dorpelingen die de rebellen steunen hebben volgens Arun geen idee wat het maoïsme inhoudt. ,,Ze zijn gewoonweg trots op de leiders, die ook uit arme dorpen komen, maar naar Calcutta gingen, een academische graad behaalden en terugkeerden naar de dorpen, in plaats van een goed betaalde baan in Kathmandu te nemen. Dat geeft hun een aura van integriteit.''

Aruns organisatie moet aan de rebellen belasting betalen, de zogeheten `revolutionaire heffing', om te mogen opereren in de door hen beheerste berggebieden. Op zich vindt Arun dat niet bezwaarlijk, wel vindt hij bezwaarlijk dat met dat geld geen wegen worden aangelegd, maar wapens gekocht. En hij vindt het ook verwerpelijk dat de maoïsten de laatste tijd leraren hebben gedood omdat die weigerden de ideologie van de partij uit te dragen. Toch is volgens hem de oplossing niet dat de democratie moet worden afgeschaft en alle macht weer naar de koning moet, zoals 12 jaar geleden: ,,De oplossing is en blijft een echte volksdemocratie.''

Voor die volksdemocratie is ook Dinesh opgekomen, al zou hij niet precies weten wat dat is. Hij is ongeschoold en hij bivakkeert in een huis in Kathmandu dat nog in aanbouw is. Terug naar zijn dorp kan hij niet. ,,Het leger heeft in mijn dorp aan alle jongeren opgedragen zich elke twee dagen te melden'', vertelt Dinesh. ,,Dan worden we ondervraagd over wat we weten van de rebellen. Als we niets weten, worden we geslagen en opgesloten. Als we worden vrijgelaten moeten we ook nog betalen voor onze maaltijden.''

Probleem is dat Dinesh wel iets wist. Hij was informant, hij moest doorgeven waar de troepen van het leger waren en hij moest ervoor zorgen dat de rebellen te eten kregen als ze in zijn dorp verschenen. ,,Maar ik heb niemand gedood'', zegt Dinesh.