Relatie leger-politiek is al langer moeizaam

Lastige bemoeials, zonder kennis van zaken. Dat beeld hebben vooral oudere militairen van politici. Het maakt de relatie tussen minister en leger een moeizame.

Het `vrijwillige' vertrek gisteren van de bevelhebber van de Koninklijke Landmacht, generaal A. van Baal, kon niet verhelen dat er een hevige botsing met zijn politieke baas, minister De Grave (Defensie) aan vooraf was gegaan. Eigenlijk wilde Van Baal helemaal niet weg maar De Grave, hield, demissionair of niet, zijn poot stijf. En dus was het: exit Van Baal.

De ruzie tussen de minister en zijn bevelhebber toonde eens te meer aan hoe gevoelig de relatie tussen de politiek en de militairen nog altijd ligt. De politiek en de krijgsmacht zijn twee gescheiden circuits, die zich in de praktijk vaak lastig met elkaar laten verenigen.

Ook het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie kwam in zijn Srebrenica-rapport tot de conclusie dat bij het drama van juli 1995 en de nasleep daarvan het wantrouwen over en weer tussen de toenmalige minister Voorhoeve en landmachtchef generaal H. Couzy een belangrijke rol had gespeeld. NIOD-directeur prof. J. Blom sprak van ,,een slechte communicatie tussen departement en landmacht''. De landmachttop hield belangrijke informatie geheim voor de eigen minister.

Veel militairen beschouwen politici vanouds als lastige bemoeials zonder kennis van zaken. Bij voorkeur wikkelen ze daarom hun zaken zoveel mogelijk in eigen beheer af en door de taakverdeling tussen ambtenaren en militairen kregen ze daarvoor ook de kans.

De oudere generatie officieren kreeg op de Koninklijke Militaire Academie zelfs van docenten te horen dat politici niet deugden, omdat ze vooral aan hun eigen belang en aan dat van hun partijen dachten. De aandacht tijdens de colleges voor de verhoudingen tussen politiek en militairen was gering. Veel oudere militairen missen daarom ook nu nog gevoel en begrip voor de politieke realiteit, waarin hun bazen moeten opereren.

Generaal Couzy was iemand die uit de oude traditie kwam. Hij raakte dan ook herhaaldelijk in botsing met zijn politieke superieuren. Zo dwong de vroegere minister Ter Beek hem in 1992 tot het tekenen van een speciale loyaliteitsverklaring, omdat de generaal volgens hem buiten zijn boekje was gegaan door in NRC Handelsblad openlijk tegen de afschaffing van de dienstplicht te pleiten.

Omgekeerd hebben ook politici dikwijls moeite het militaire apparaat en de mentaliteit van de militairen te doorgronden, zeker als ze daar voorheen niet veel mee hebben te maken gehad zoals in het geval van Voorhoeve. Ze spreken de taal van de militairen niet en worden daarom niet serieus genomen.

Voorhoeve's opvolger De Grave, een raspoliticus die bij zijn aantreden al evenmin veel militaire ervaring in zijn bagage had, kwam er al spoedig achter hoe belangrijk juist de wisselwerking tussen de politieke en de militaire leiding was en dat daaraan nog veel schortte. Bovendien besefte hij dat hij in dit opzicht weinig hoefde te verwachten van zijn hoogste ambtenaar, de niet bijzonder dynamische secretaris-generaal D. Barth.

Wat te doen? De Grave besloot een grotere rol in te ruimen voor de hoogste militair op zijn ministerie, de chef-defensiestaf, vice-admiraal L. Kroon, met wie hij al snel een goede relatie had weten op te bouwen. Hij stelde een regulier beraad in met de bevelhebbers en verleende Kroon meer zeggenschap over de financiën van de krijgsmachtonderdelen, waardoor die zich meer aan de opvattingen van het ministerie gelegen moest laten liggen.

Ook stelde hij een commissie aan onder voorzitterschap van de Zwolse burgemeester Fransen om de structuur van het departement door te lichten. Naar verwachting zal deze er in een rapport, dat morgen wordt gepresenteerd, voor pleiten juist de positie van de chef-defensiestaf te versterken. Die moet meer controle krijgen over de afzonderlijke rijkjes, die de krijgsmachtonderdelen nu nog vormen. Via de chef-defensiestaf zou de minister op die manier meer voeling kunnen houden met de krijgsmacht. Spectaculaire aanvaringen tussen de minister en zijn hoogste generaals zouden daardoor tot het verleden moeten behoren.