Ongelijkheid in onderwijs niet veranderd

De ongelijkheid in kansen tussen leerlingen uit lage en hoge niveaus in het voortgezet onderwijs is in de jaren negentig, ondanks enkele onderwijsvernieuwingen, niet afgenomen. Vooral voor vmbo-leerlingen is de situatie zorgelijk.

Dat blijkt uit het rapport Voortgezet onderwijs in de jaren negentig dat het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) vandaag heeft gepresenteerd. De doorstroming van vmbo/mavo-leerlingen naar het havo is in de jaren negentig gehalveerd. Verder is het percentage leerlingen dat extra zorg op school nodig heeft, gestegen met circa 34 procent. Daarbij stellen steeds meer leerlingen hun schooltype tijdens hun schooltijd naar beneden bij.

In de jaren negentig hebben de ministers Ritzen (PvdA) en Hermans (VVD) maatregelen genomen om de kloof tussen leerlingen van verschillende niveaus te dichten. Zo werd in 1993 de basisvorming ingevoerd, een verplicht vakkenpakket in de eerste drie jaar van het voortgezet onderwijs. Zo moesten leerlingen van verschillende niveaus langer een gezamenlijk programma volgen.

In de praktijk hebben deze veranderingen echter lang niet het gewenste resultaat gehad, constateert het SCP. Onderzoekster H.Bronneman: ,,De basisvorming heeft zijn doel van gelijkere kansen niet bereikt, omdat scholen er in de praktijk moeilijk mee konden werken. Ze pasten de basisvorming toch aan aan het niveau van de leerlingen.''

Verder werden mavo en het lager en individueel beroepsonderwijs samengevoegd tot vmbo, om het gehele voorbereidend beroepsonderwijs inhoudelijk te verzwaren en de status ervan te verhogen. Bronneman: ,,De schooltypen zijn samengegaan, maar ze trekken vaak niet samen in één gebouw. Voormalige mavo's zoeken wel vaak havo- en vwo-scholen op. Zo komt er dus geen integratie van de grond.'' De vorming van het vmbo maakt daardoor voorlopig geen einde aan het negatieve imago van het voorbereidend beroepsonderwijs, aldus Bronneman.

De oorzaken van de toegenomen problemen van vmbo-leerlingen zijn onduidelijk. Ouders bepalen de schoolkeuze steeds vaker op basis van prestaties in plaats van milieu, maar dat heeft geen positief effect gehad op kinderen van lager opgeleide ouders. Bronneman: ,,Juist daar blijven de prestaties van leerlingen achter bij de rest.''

Het SCP zegt geen negatieve effecten te zien van de schaalvergroting in het onderwijs, die de overheid in de jaren negentig heeft doorgevoerd. De afgelopen tien jaar is het aantal middelbare scholen gedaald van ruim 1.400 naar iets meer dan 600. Het aantal leerlingen op school is meer dan verdubbeld. ,,Ondanks de politieke wens om die schaalvergroting tegen te gaan, vinden leerlingen het niet minder prettig op school'', zegt Bronneman. Spijbelen komt op grote scholengemeenschappen wel meer voor dan op een kleine. Vooral meisjes op het vwo zeggen school leuk te vinden, vmbo-leerlingen waarderen school het minst.