Onduidelijke regeling

De commissie-Polak doet de zaken eenvoudiger voor dan ze zijn. Nieuwe claims zullen weer problemen opleveren.

,,Het is ook een ingewikkeld verhaal.'' Deze verklaring gaf de Inspectie Cultuurbezit in september 2000 voor de trage reactie op een claim van Nick Goodman. Deze had een verzoek ingediend tot teruggave van familiebezit dat na de Tweede Wereldoorlog was opgenomen in de `NK-collectie' van de Staat.

De door staatssecretaris Van der Ploeg (Cultuur) ingestelde Adviescommissie restitutie vindt de claim helemaal niet zo ingewikkeld. In twee kantjes adviseren ze integrale teruggave aan de nazaten van de joodse collectioneur Friedrich Gutmann. Waarom deed de inspectie eigenlijk zo moeilijk?

Een belangrijke reden ligt in een formele verklaring van het kabinet in juli 2000. Daarin verklaarde het zich bereid om inmiddels verjaarde claims tóch in behandeling te nemen. Maar alleen onder voorwaarden: de claim is destijds niet ingediend of er zijn nieuwe omstandigheden (`nova'). Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling het rechtsherstel van na de oorlog over te doen, waarschuwde het kabinet. En de onvrijwilligheid van de transactie moet vaststaan.

Inmiddels heeft de regering, aangespoord door de adviezen van de commissie-Ekkart, benadrukt dat zij kiest voor een `beleidsmatige' aanpak en niet voor een `puur juridische'. Dat is logisch. Puur juridisch is de kous gauw af. Verjaard is verjaard. De overheid kan daarvan echter vrijwillig afzien. Gezien haar zorgplicht voor het openbaar kunstbezit moet dat wel zorgvuldig gebeuren. Vandaar de voorwaarden van het kabinet, waaraan de Inspectie cultuurbezit met reden zwaar tilde.

Groep 1 van de claim betreft de verkoop door Friedrich Gutmann in 1939 van stukken die tenslotte terecht zijn gekomen in de collectie van Herman Göring. Na de oorlog zijn de werken teruggehaald. Er is toen geen beslissing over restitutie genomen. Maar de vraag is wel of deze verkoop inderdaad onvrijwillig was. Volgens de inspectie vergt dat nader onderzoek. De adviescommissie vindt dat niet nodig met een verder niet nader toegelicht beroep op de formule-Ekkart.

De kneep zit hem vooral in een uitspraak van de Raad voor het rechtsherstel uit 1952. Daarin werd de eis tot restitutie van enkele kunstwerken toegewezen onder voorwaarde dat de nabestaanden de koopprijs terugbetaalden aan de Staat. De erfgenamen vonden dat dit eerlijk omdat het geld niet ten goede was gekomen aan Gutmann sr., maar de rechter vond van wel. Het geld was gebruikt om een schuld van Gutmann aan een familie-n.v. af te betalen.

De erven zagen in 1954 tenslotte af van terugkoop. Een afgesloten zaak, zou men zeggen, maar de adviescommissie vindt dat de rechterlijke uitspraak uit 1952 ,,in het kader van het huidige rijksbeleid niet kan worden aanvaard'' en concludeert dat de kunst ,,zonder meer'' moeten worden gerestitueerd. Toch zei de regering juni vorig jaar nog dat formele schikkingen niet kunnen worden opengebroken. De commissie beschouwt ,,de resultaten van veranderd (historisch) inzicht'' over het rechtsherstel van na de oorlog als een novum (nieuw feit). Maar een novum geldt in de woorden van de strafrechtsgeleerde De Hullu als ,,slechts een entreebiljet voor een nieuwe behandeling'' en daarvan is in het advies weinig te merken.

En hoe zit het met de precedentwerking? De erfgenamen van kunsthandelaar Goudstikker hebben ook een claim ingediend die een formele schikking (,,dading'') betreft. De commissie zegt dat haar advies geen invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties voor andere zaken. Dat valt moeilijk te verenigen met de ,,beleidsmatige'' aanpak waarvoor de regering zo nadrukkelijk koos. En als het werkelijk zo eenvoudig is, waarom was de adviescommissie dan eigenlijk nodig.