Koude sanering van de hete ovens

Gesteund door president Bush probeert de Amerikaanse staalindustrie zich met tariefmuren tegen de internationale concurrentie te beschermen. Anderen zeggen dat ze meer zou hebben aan een pensioenfonds. Een ingrijpende reorganisatie van de sector is hoe dan ook onvermijdelijk. `Wij voeren een oneerlijke strijd.'

De grootste bezienswaardigheid van Bethlehem Steel is ongetwijfeld de gigantische zuurstofoven waarin ijzer wordt gesmolten met hete lucht. Uit een container wordt schrootmetaal in de 2.000 graden hete oven gekieperd, dan gaat er nog wat kokend ijzer bij uit een levensgrote pan. Er ontstaat een hel van vuur en hitte.

Bethlehem Steel, een van de oudste staalfabrieken in de Verenigde Staten, mag dan sinds de herfst van vorig jaar in surseance van betaling verkeren, zijn ovens in Sparrows Point bij Baltimore zwoegen rustig voort, zeven dagen per week, de klok rond. De fabriekshal waarin dit gebeurt dateert uit de jaren veertig, en er is sindsdien in wezen weinig veranderd. Sparrows Point is een van de drie grote fabrieken van Bethlehem Steel, samen met Burns Harbor en de vorig jaar overgenomen fabrieken van Lukens Steel. Op het eerste gezicht ziet het eruit als een roestige, stoffige bende, maar dat is schijn. De cold sheet mill aan de andere eind van het terrein aan de Chesapeake Bay, die sinds 2000 allerlei soorten plaatmetaal op maat perst en snijdt, is gebouwd dankzij een kapitaalinjectie van in totaal 1,6 miljard dollar. Het is een schone, opmerkelijk lege, bijna klinische fabriekshal.

Het is niet evident dat deze onderneming verlies maakt. Toch is het zo. Net zoals de meeste andere nog bestaande staalfabrieken in de Verenigde Staten. ,,Soms denk ik wel eens: de enige manier om de staalindustrie in de VS weer winstgevend te maken is haar eerst nationaliseren, en daarna weer privatiseren'', zegt Van Reiner, de energieke directeur van Sparrows Point.

De problemen in het staal, en de redenen waarom president Bush vorige maand tariefmuren van liefst 30 procent oprichtte om deze industrie te beschermen, liggen volgens Reiner namelijk niet bij de staalproductie zelf, maar bij de ongedekte sociale lasten van duizenden gepensioneerde werknemers in de vorm van pensioenen en gezondheidszorg. Dit zogenaamde legacy-probleem, waar alle staalproducenten mee te maken hebben, drukt met grofweg vijf miljard dollar op de begroting van Bethlehem Steel. Alleen al in 2001 ging het om een bedrag van zo'n 3,3 miljard dollar.

,,Wij voeren een oneerlijke strijd met de internationale concurrentie'', zegt Reiner. ,,De meeste buitenlandse bedrijven hoeven niet voor de volle honderd procent voor de pensioenen en gezondheidszorg van al hun oud-medewerkers op te draaien. Wij wel. Als niet elke werknemer van ons zeven oud-werknemers zou hoeven onderhouden, zouden we heel goed kunnen concurreren. Met Corus, Arcelor, of welke grote buitenlandse staalfabrikant dan ook.''

Volgt een klaagzang over de hoge ziektekosten in de Verenigde Staten, die zoals bekend geen nationale gezondheidszorg of ziekenfonds kennen. ,,Mensen leven tegenwoordig langer. Je zou bijna hopen op een epidemie dat zou ons een eind op weg helpen!''

De kritiek in buiten- én binnenland – op de tariefmuren van de regering-Bush, luidt in de eerste plaats dat de Amerikaanse staalindustrie op een wijze wordt beschermd die in strijd is met de regels van de Wereld Handelsorganisatie. In de tweede plaats zou deze actie neerkomen op uitstel van executie, omdat die industrie zelf niet optimaal functioneert. Er zouden te veel kleine producenten zijn, die bovendien niet efficiënt genoeg werken en zich toeleggen op de verkeerde, namelijk niet geavanceerde, productie.

,,Protectionisme zal de efficiency in de Amerikaanse staalindustrie niet bevorderen'', zegt bijvoorbeeld Daniel Bachman, econoom bij de denktank TheGlobalist.com uit Washington. ,,Integendeel, het zal dat proces juist vertragen.''

Volgens Patrice Lamy, de handelscommissaris van de Europese Commissie, loopt de Amerikaanse staalindustrie tien jaar achter. Zij moet zich zo snel mogelijk herstructureren om mee te kunnen draaien in de wereldmarkt, die wordt beheerst door een handvol grote Europese en Aziatische producenten. Omdat Lamy inziet dat buitenlandse staalfabrikanten in veel gevallen hebben geprofiteerd van hun voormalige bestaan als staatsbedrijf, stelde hij de Amerikanen een alternatief plan voor. In plaats van het instellen van tariefmuren die alleen maar leiden tot vergeldingsacties en nog meer tariefmuren zou Washington een nieuwe accijns van 2 procent moeten heffen op al het in de VS verkochte staal, om uit de opbrengst de pensioenen en gezondheidszorg van de oude staalwerkers te betalen.

Robert Steve Miller is topman van Bethlehem Steel, na US Steel de grootste producent in de VS van `geïntegreerd' staal, waarbij niet schroot maar ijzererts tot staal wordt gesmolten. Desgevraagd zegt hij welwillend tegenover Lamy's voorstel te staan. Maar een eventueel door de overheid opgezet pensioenfonds lost volgens hem het fundamentele probleem niet op, namelijk dat de Amerikaanse markt meer dan welke andere ook wordt overspoeld door goedkoop staal uit China, Rusland en Zuid-Korea. De prijs van ruw staal is sinds 1998, toen de Russen en de Koreanen met het dumpen van staal begonnen, gekelderd tot het niveau van 1979, zonder inflatiecorrectie. Daar valt geen droog brood mee te verdienen, klagen de Amerikanen, als de prijs van olie, stroom en ijzererts wél stijgen.

,,Wat Lamy vergeet erbij te zeggen, is dat de Amerikaanse capaciteit voor de staalproductie al enorm is gereduceerd'', zegt Miller, een turnaround manager die in de jaren tachtig autofabrikant Chrysler van de afgrond redde. ,,Amerika zal altijd tenminste 20 procent van zijn staal moeten importeren om aan zijn binnenlandse consumptie te voldoen. Inderdaad zijn er nog steeds te veel Amerikaanse producenten, maar er zijn er al een heleboel verdwenen. De afgelopen vijf jaar zijn er 32 fabrikanten over de kop gegaan.'' Bethlehem Steel is zelf in 25 jaar tijd teruggegaan van 134.000 werknemers naar krap 14.000. ,,De tariefmuren zijn door de regering Bush ingevoerd om de industrie een adempauze te geven zodat zij zich kan reorganiseren. Uiteindelijk geloof ik dat er een paar grote namen zullen overblijven.''

Of het in 1857 in Bethlehem, Pennsylvania opgerichte Bethlehem Steel daar bij zal zijn, is de vraag. Miller heeft eerst geprobeerd om Bethlehem te verkopen aan US Steel, maar die had geen behoefte om Bethlehems legacy-probleem over te nemen. Nummer drie Nucor, die werkt met zogeheten minimills, die op kleine schaal schrootmetaal omsmelten, bracht een bod uit van vijfhonderd miljoen dollar op de kapitaalgoederen van Bethlehem, maar dat bod werd niet serieus genomen. Nu is het idee om Bethlehems sociale lasten onder te brengen in een holdingmaatschappij en de staalfabriek op te splitsen in diverse joint ventures, onder andere met CSN, de grootste staalfabrikant van Brazilië.

Of dit doorgaat, hangt mede af van de vraag of de betreffende vakbonden het eens worden over de arbeidsvoorwaarden.

Vakbondsleider Joe Rosel moet het allemaal nog zien. Vorige week reisde hij met een delegatie naar Rio de Janeiro om zich op de hoogte te stellen van het sociaal-economische klimaat bij CSN. ,,Wij zijn voor consolidatie, maar het belang van de huidige en voormalige werknemers staat voorop'', zegt hij terwijl zijn ene been nerveus onder tafel trilt. Als er nog meer mensen ontslagen moeten worden bij Bethlehem, zo suggereert hij, dan in het hoger kader. ,,Mensen die alleen maar kijken naar andere mensen die werken, kunnen we missen als kiespijn'', schampert hij.

Mochten de reddingspogingen allemaal op niets uitlopen, dan resteert één optie: liquidatie. In dat geval worden Bethlehems activa per opbod verkocht, en neemt de Pension Benefit Government Corporation, een overheidsinstantie, de pensioenlasten over. Dit lot trof staalproducent LTV uit Ohio, met als gevolg dat zijn pensioensgerechtigden nog niet de helft van hun pensioen terugzagen. Reiner: ,,Willen we liquideren? Liever niet. Dat geeft niet het beste resultaat voor de meeste mensen, en daar streven we naar.''

Bethlehem Steel ziet sinds kort weer enige reden tot optimisme. Een van de gigantische opslagruimtes voor zogenaamd koud gerold plaatstaal in een nieuwe, naar verluidt unieke faciliteit in Sparrows Point, is helemaal gevuld met orders die op transport wachten. ,,De handel trekt weer aan'', zegt Bette Kovach, die een rondleiding verzorgt door de bijna volledig geautomatiseerde fabriekshal waar nauwelijks werknemers te vinden zijn. Ze somt de gunstige omstandigheden op: het tweede kwartaal, traditioneel het beste voor staal vanwege de nieuwe automodellen en de seizoensgebonden bouw, overgenomen orders van het failliete LTV, en de Amerikaanse economie die langzaam opveert. En misschien, voegt ze er aan toe, beginnen de tariefmuren effect te hebben.

Econoom Bachman blijft sceptisch. ,,Het staat buiten kijf dat op de lange termijn de staalindustrie in dit land grotendeels of geheel wordt opgeheven, ondanks het luide protest van de staallobby. Wat betreft die hoge sociale lasten: men zou zich moeten afvragen waarom die zo hoog zijn en of ze niet lager kunnen. Ik zie niet in waarom staal niet het voorbeeld van textiel zal volgen. Uiteindelijk is het een kwestie van de voortschrijdende technologie en de markt, en niet van handelspolitiek. Het gaat om toegevoegde waarde. Geïndustrialiseerde landen zijn gedwongen zich steeds meer toe te leggen op hoogwaardige producten en diensten en daar hoort staal niet bij.''

Chemisch ingenieur Reiner, die al zijn hele leven werkt in de staal, ontploft bijna als hem de stelling wordt voorgelegd dat op de lange termijn de Amerikaanse staalproductie zal uitsterven, omdat de economische voorwaarden er niet voor aanwezig zijn. ,,Bullshit!'' roept hij uit. ,,Ja, tenzij je alle productie naar lagelonenlanden wil verhuizen, met alle nadelige maatschappelijke en milieu-effecten van dien.''

De column van Wynold Verwey verschijnt morgen.