Geschilderde herinneringen van een handelsnatie

Zeegezichten, scheepsmodellen, een beschilderd kamerscherm: in schatkamers en directievertrekken liggen de maritieme relikwieën van de Gouden Eeuw opgeslagen. Het Maritiem Museum in Rotterdam bouwt een aparte vleugel met voorwerpen uit de collectie van rederij Nedlloyd.

Deze week, tot slot: de erfenis van de Compagnie in de Nederlandse rederwereld.

Van de zeven Amsterdamse en Rotterdamse rederijen die in de jaren zeventig en tachtig zijn gefuseerd in Koninklijke Nedlloyd is weinig meer over dan een herinnering. Bovendien straalt het huidige hoofdkantoor van de rederij, de steriel ogende bouwkolos de Willemswerf aan de Rotterdamse Boompjes, aan de buitenkant op geen enkele wijze de roemrijke historie van de Nederlandse koopvaardij uit, zoals die in Nedlloyd verenigd was. Maar bij binnenkomst wacht de bezoeker een aangename verrassing. In de hal bevindt zich onder andere een reusachtige uil, het boegbeeld van de voormalige Straat Towa (t o w a = the owl watches ahead), een van de 155 schepen die Nedlloyd op het hoogtepunt van de fusie in de vaart had.

Het boegbeeld van de Towa is slechts een van de 1.400 voorwerpen uit `de schatkamer van Nedlloyd', een bonte verzameling van kunst, antiek en curiosa. Die bestaat uit schilderijen, scheepsmodellen, historische land- en zeekaarten,maar ook een onder een glasstolp biddende abt, een aardbol uit de vorige eeuw,een likeurkeldertje, een kostbaar klokje, een kompas, een zilveren sigarendoos, een Indische kris, twee bronzen zuilen van de beeldhouwer Lambertus Zijl, een op een hacienda in Chili gevonden scheepsmodel en vele honderden andere voorwerpen – allemaal relikwieën uit de Nederlandse maritieme glorietijd.

De schatkamer van Nedlloyd is het domein van J. van der Hidde (76), voormalig stuurman en ladinginspecteur bij de Verenigde Nederlandse Scheepvaartmaatschappij, een combinatie van vier Amsterdamse- en vier Rotterdamse rederijen die zich bij Nedlloyd heeft aangesloten. Met een donatie van 2,8 miljoen euro van Nedlloyd en het Nedlloyd Pensioenfonds wordt aan het Maritiem Museum in Rotterdam een aparte vleugel gebouwd voor de door Nedlloyd in bruikleen gegeven voorwerpen. ,,Er is veel van de zeven gefuseerde rederijen overgebleven'', zegt Van der Hidde. ,,En het meeste is uiteraard gerelateerd aan de scheepvaart.''

Het boek De kunst van het handeldrijven, dat op 2 mei verschijnt in het kader van de oprichting van de VOC in 1602, schetst aan de hand van de Nedlloyd-collectie een beeld van Nederland als maritieme handelsnatie. In die collectie bevinden zich ook restanten van de VOC in de vorm van een aantal scheepsmodellen, schilderijen en zee- en landkaarten. Het zijn soms replica's, aangezien de VOC eind achttiende eeuw ten onder ging en de basis voor de moderne koopvaardij pas midden negentiende eeuw werd gelegd. Dat gebeurde met de oprichting in 1856 – met financiële steun van koning Willem I en zijn broer Hendrik `de Zeevaarder' – van de Koninklijke Nederlandse Stoomboot Maatschappij (KNSM) en in 1870 via de oprichting van de Stoomvaart Maatschappij Nederland (SMN).

Nedlloyd is in de jaren zeventig van de vorige eeuw ontstaan uit een fusie tussen de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd (KRL), de SMN, de Koninklijke Java-China-Paketvaart Lijnen (KJCPL), de Koninklijke Hollandsche Lloyd en de VNS. Pas in 1981 nam de KNSM na lang aarzelen deel aan de fusie, waarbij de grote redersverschillen en het verschil in cultuur tussen de havens van Amsterdam en Rotterdam sterk opspeelden.

Rotterdam was lang het centrum van de `wilde vaart', met cargadoorsfirma's die de tramps (schepen die voor één of enkele reizen worden gecharterd, meestal voor bulklading) uitrustten en exploiteerden. Amsterdam was meer de haven bij uitstek voor stukgoederen en de lijndiensten, waarvan het vervoer van passagiers, kolonisten, landverhuizers, handelsreizigers en avonturiers een belangrijk onderdeel vormde. ,,Dat mentaliteitsverschil in de havens kon je zelfs terugvinden in het verschil tussen de kunst die in de Rotterdamse en Amsterdamse scheepvaartkantoren aan de muur hing'', zegt Van der Hidde. ,,In Amsterdam waren de kantoren fraai ingericht, met mooie scheepsmodellen en schilderijen aan de muren. Reders lieten zich door eigentijdse schilders vereeuwigen, door een beroemde portretschilder als Jan Veth. In Rotterdam was de sfeer veel zakelijker. Er moest geld worden verdiend, de rest was bijzaak.''

De directie van de SMN zetelde in Amsterdam in het architectonisch opvallende Scheepvaarthuis aan de Prins Hendrikkade, waar nu het Gemeentelijk Vervoerbedrijf is gevestigd. De SMN liet in de jaren dertig van de vorige eeuw haar passagiersschepen decoreren door de beroemdste sierkunstenaars. Een groot verschil met de opvattingen in Rotterdamse rederskringen: daar is van Willem Ruys, de oprichter van de Rotterdamse Lloyd, niet meer dan een klein portret bewaard gebleven.

De grootste verzamelaar van maritieme kunst, antiek en curiosa was de KNSM. Dat kwam volgens Van der Hidde door de kunstminnende directie. Een fraai voorbeeld in dit verband vormen de zeegezichten van de Hongaarse schilder Oskar Mendlik, wiens beroemdste zeeschilderij een van de pronkstukken vormt van de collectie van Nedlloyd. Mendlik had nog nooit belangstelling voor de zee gehad voordat hij de Nederlandse beeldhouwster Julie Mijnssen ontmoette in Rome. Het paar ging in 1901 wonen en werken in Aerdenhout, waar ook de heren reders van de KNSM veelal woonden. Op hun verzoek maakte Mendlik een aantal reizen om de zee te schilderen. Een passie die hem zo aangreep dat hij zich het liefst bij vliegende storm aan dek van de schepen van de KNSM liet vastsjorren om in zijn schilderijen zo realistisch mogelijk het beeld van de zee te schetsen.

Sinds Van der Hidde in 1985 met vervroegd pensioen is gegaan is hij in de weer met de collectie van Nedlloyd. Daar trof hij een directeur, Leo Berndsen, die zeer begaan was met de historie van de rederij en hem de ruimte gaf de collectie in kaart te brengen. ,,Niet alles is kunst hoor'', waarschuwt Van der Hidde. ,,Er staan hier ook schilderijen met boerderijtjes en bosgezichten. Die kocht de werf om de scheepssalon op te vrolijken. Als er een schip werd gedoopt kreeg de rederij meestal een modelschip, een zogeheten `werfmodel' cadeau.''

Veel van de schilderijen en scheepsmodellen zijn in de loop der jaren gerestaureerd. Zoals een model van het passagiersschip Tegelberg van de Koninlijke Paketvaart Maatschappij (KPM), dat terugkwam uit Hongkong en eerst moest worden gestript om daarna weer te worden opgebouwd aan de hand van vele honderden bewaarde foto's.

De KJCPL (waarin de KPM na het verdrijven van Nederland uit Indonesië) is opgegaan, was een bijzonder rijke rederij. Dat bleek onder meer uit de moderne schepen die de rederij in de vaart had. De Straat Florida was in 1960 het eerste schip met een zogeheten bulb op de boeg die de stroomlijn van het schip verbeterde en daardoor de snelheid verhoogde. Op het achterdek beschikte de bemanning al over een eigen zwembad.

Ook beschikt Nedlloyd in zijn kunstarchief over een originele kaart van de kust van Suriname uit de zeventiende eeuw. De vaart op Suriname was de vorige eeuw een vaste bestemming van de KNSM, maar door de eerste Hollandse zeevaarders werd een tochtje naar het land allesbehalve als prettig ervaren. De waarschuwing voor de `Boschgaschies', de inlanders, die door de eerste zeevaarders op de kaart werd aangegeven, spreekt wat dat betreft voor zichzelf.

Dit is de vijfde en laatste aflevering van een serie over de sporen die de VOC heeft nagelaten in Indonesië, Malakka, Zuid-Afrika, China en de Nederlandse rederswereld. Eerdere delen verschenen op 23 en 29 maart en 4 en 12 april en zijn te lezen op www.nrc.nl.