Europa moet rol spelen in de verkiezingen

De voorstellen die het paarse kabinet vorig jaar naar buiten bracht over hervorming van de Europese besluitvorming zijn slecht voor Nederland. De kiezer moet ze daarom afwijzen, vindt Arend Jan Boekestijn.

Ad Melkert en Thom de Graaf stelden onlangs ontzet vast dat de Europese Unie geschoffeerd was door Israël. Deze benadering van de EU toont aan hoe men in Den Haag de Europese samenwerking beoordeelt. Men doet net of de EU steeds meer op een staat gaat lijken, die dus ook kan worden geschoffeerd.

Deze benadering is funest. Zij miskent de ware aard van de Europese samenwerking en verliest daardoor het zicht op de werkelijkheid. De EU is in feite een internationale organisatie die haar macht vooral ontleent aan economische samenwerking. Waarom zou Israël onder de indruk zijn van een weliswaar economische reus maar politieke dwerg? Israël weet heel goed dat Frankrijk andere belangen in het Midden-Oosten heeft dan Engeland en Duitsland. Op de Balkan had men al eerder vastgesteld dat het verdeelde Europa geen deuk in een pakje boter kon slaan.

Nu kan men deze naïveteit van Nederlandse politici nog wel vergeven. Politici van een klein land met een roemrijk verleden verliezen wel vaker het zicht op de werkelijkheid. Erger is dat deze statelijke benadering van de EU uiteindelijk ook de positie van de kleine landen ondermijnt. Door alle dagdromerij over een verenigd Europa hebben de Nederlandse politici zich losgezongen van de subtiele institutionele constructie van de Founding Fathers van de EU.

Na het echec van de Europese Defensie Gemeenschap in 1954 bleek al snel dat politieke integratie een brug te ver was. Men richtte zich op marktintegratie en koos een vorm die daarbij paste. Federalisme was ongewenst omdat men de natiestaten niet wilde opheffen. Klassiek intergouvernementalisme kon ook niet omdat elk land dan een vetorecht behield waarmee marktintegratie kon worden geblokkeerd. Uiteindelijk werd gekozen voor de befaamde `communautaire' methode, die leidde tot een zekere mate van depolitisering van de betrekkingen tussen de lidstaten. Dat was gunstig voor de kleine landen omdat de machtsverschillen tussen de lidstaten enigszins werden getemperd.

Om te voorkomen dat de intergouvernementele Raad van Ministers, waar de grote lidstaten natuurlijk het sterkst staan, zou domineren werd er een Europese Commissie in het leven geroepen met een exclusief recht van initiatief om met wetgevingsvoorstellen te komen. Bovendien werd de positie van de kleine lidstaten goed beschermd in de Commissie. De verdeling van de Commissiezetels is niet strikt gerelateerd aan de bevolkingsomvang en de Commissie kent een collegiale verantwoordelijkheid. Tegelijk beschermt de heersende non-interventiecultuur een commissaris van een klein land tegen inmenging van een commissaris van een groot land.

En toen gebeurde er iets verschrikkelijks. Hoewel het paarse kabinet minder geplaagd werd door federalistische vergezichten dan eerdere kabinetten, kon het vorig jaar toch niet de verleiding weerstaan om de Europese samenwerking te bezien door een etatistische bril. Nu de EU volgens Paars toch een beetje op een staat ging lijken, moest de communautaire besluitvormingsstructuur op de schop. De EU moest zich alle democratische attributen van de nationale staat aanmeten. Paars pleitte daarom voor toekenning van een initiatiefrecht voor wetgeving aan het Europees Parlement (EP), invoering van een ontslagbevoegdheid van het EP ten aanzien van leden van de Europese Commissie, rechtstreekse verkiezing van de voorzitter van die Commissie en invoering van een correctief referendum.

Zo was het paarse kabinet met zijn waandenkbeeld dat de EU steeds meer op een staat ging lijken, zijn eigen glazen aan het ingooien. Indien immers niet alleen de Europese Commissie maar ook het EP initiatiefrecht zou verkrijgen kan de Raad beide instellingen tegen elkaar uitspelen. Datgene wat de Commissie niet wenst voor te stellen kan de Raad wellicht wel voor elkaar krijgen bij het EP, waar de grote, volkrijke lidstaten een dominante rol spelen. Dat is niet in het belang van het kleine Nederland.

Ook het paarse voorstel om het EP het recht te geven om individuele commissarissen naar huis te sturen verzwakt de positie van de kleine lidstaten. De huidige collegiale verantwoordelijkheid van de Commissie ten aanzien van het EP fungeert als een schild ter afwering van de politieke druk van grote lidstaten en industriële lobby's op individuele commissarissen. Het paarse plan verzwakt de Commissie als geheel en daar hebben de kleine lidstaten het meest van te lijden.

Het voorstel om de voorzitter van de Commissie direct te kiezen is eveneens onwenselijk. De voorzitter wordt nu benoemd door de lidstaten gezamenlijk. Rechtstreekse verkiezingen door de Europese bevolking (of door het EP) zou de Commissie politiseren, waardoor zij haar arbiterrol niet goed meer zal kunnen spelen. Hoe zou een `politieke' voorzitter moeten omgaan met medecommissarissen van een andere kleur?

Ten slotte verdient het nogal vage paarse voorstel tot invoering van een correctief referendum te worden afgewezen. Het EP zou in bepaalde situaties, bijvoorbeeld in het geval van een vertrouwensbreuk met de Commissie, een referendum moeten kunnen uitschrijven. Ook dit is niet in het belang van de kleine landen omdat zij dan afhankelijk worden van de uitslagen van referenda elders. En elders is voor een klein land zo vreselijk groot.

De paarse voorstellen moeten van tafel. Helaas kunnen wij daarbij niet rekenen op de steun van de Nederlandse vertegenwoordiger in de Europese Conventie, Hans van Mierlo. In een recente speech in dit gremium grossierde hij in clichés en halve waarheden. Hij spak zich uit voor een versterking van de Raad en het EP zonder dat de positie van de Commissie verzwakt wordt. Kennelijk heeft hij niet door dat een machtsvergroting van de Raad en het EP ten koste gaat van de Commissie.

We zullen ons moeten richten op de Nederlandse politieke partijen. De paarse Europa-voorstellen moeten een rol spelen in de verkiezingsstrijd. Dat kan ook heel goed omdat de partijen er verschillend over denken.

Het voorstel om initiatiefrecht te geven aan het EP wordt alleen gesteund door D66. Fortuyn laat zich er niet over uit. Aangezien D66 bij de komende verkiezingen gedecimeerd wordt lopen wij hier dus geen gevaar.

Anders ligt dat bij het voorstel om het EP het recht te geven individuele commissarissen naar huis te sturen. Dat wordt gesteund door de PvdA, D66, CDA en GroenLinks. Fortuyn zegt er niets over. Aangezien alleen de VVD dit voorstel verwerpt valt hier nog een wereld te winnen.

Het voorstel om de Voorzitter van de Commissie direct te laten kiezen wordt gesteund door D66, PvdA en GroenLinks. De VVD en het CDA verwerpen het gelukkig. Fortuyn laat zich ook hier niet over uit. Hopelijk kan hier een stevig debat onheil voorkomen.

Het voorstel om een correctief referendum in te voeren vindt steun bij de PvdA, D66, GroenLinks en Fortuyn. Alleen VVD en CDA zijn tegen. Zorgwekkend!

Wie de paarse Europa-voorstellen afwijst, moet stemmen op de VVD, een kleine christelijke partij of second best het CDA – de enige partijen die oog hebben voor de historische betekenis van de Commissie als hoedster van de belangen van de kleine lidstaten.

Het feit dat de meeste politieke partijen geen oog hebben voor de bijzondere positie van de Commissie is het zoveelste bewijs dat Nederlandse politici weinig interesse hebben voor het verleden. En wie geen oog heeft voor het verleden, is niet echt geïnteresseerd in de toekomst.

Arend Jan Boekestijn is historicus en verbonden aan de Universiteit Utrecht